Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Europese kanarie

Europese kanarie | Serinus serinus

European Serin | Verdecillo

Een klein, druk geel vinkje met een stompe snavel, dat met zijn rinkelende zang tuinen, boomgaarden en olijfgaarden in de Maghreb vult. In het Midden-Oosten is het vooral een wintergast, die in de Levant ook plaatselijk broedt.

Europese kanarie (Serinus serinus)
Foto: Ghislain38 — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een snel, hoog, glazig en rinkelend geratel, als het schudden van glasscherven, gezongen vanaf een draad of boomtop of in een vleermuisachtige zangvlucht met trage vleugelslagen. De roep is een snel, rollend tirrilit en in de vlucht een zacht tsuu.

Luister: ZangXC1139049

Opname: Beatrix Saadi-Varchmin — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Klein en gedrongen, met een opvallend kort, dik snaveltje en een gevorkte staart. Het mannetje heeft een citroengeel voorhoofd, wenkbrauw, keel en borst, een gestreepte groenbruine rug, zwaar gestreepte flanken en een felgele stuit die in de vlucht oplicht. Het vrouwtje is doffer en sterker gestreept, met minder geel; jonge vogels zijn bruin en overal gestreept maar tonen al de lichte stuit. Geen geel in de staart.

Verwarrings­soorten

De Syrische kanarie (Serinus syriacus) is bleker en langstaartiger, nauwelijks gestreept, met geel vooral in het gezicht en gele randen in vleugel en staart. De roodvoorhoofdkanarie (Serinus pusillus) heeft een zwartachtige kop met een rode voorhoofdsvlek. De sijs (Spinus spinus) heeft een spitsere snavel, gele vleugelbanden en gele zijkanten van de staart; de groenling (Chloris chloris) is veel groter met gele vleugelranden.

Leefgebied

Halfopen landschap met bomen: boomgaarden, olijf- en citrusgaarden, tuinen, parken, begraafplaatsen, dorpsranden en open naald- en eikenbos tot in de cederzone van de Atlas. In de winter in groepjes op ruigten, akkerranden en in oases.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Algemene broedvogel in Noord- en Midden-Marokko, Noord-Algerije en Noord-Tunesië, met wat zwerven in de winter, ook naar Noordwest-Libië. In het oosten broedt hij in Libanon, West-Syrië en Noord- en Midden-Israël; in de winter komen er vogels uit Turkije en Europa bij en is hij wijder verspreid, ook in Jordanië en schaars in de Nijldelta en Noord-Egypte. In Irak en op het Arabisch schiereiland zeer zeldzaam. Daarbuiten in Midden- en Zuid-Europa en Turkije.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In het voorjaar valt de soort op zijn zang op: in elke Marokkaanse stadstuin of olijfgaard klinkt het rinkelende geratel. In de Levant is het de moeite om wintergroepjes zorgvuldig door te kijken op Syrische kanaries.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In de Maghreb algemeen; in Israël vooral wintergast en plaatselijk broedvogel met een licht dalende trend. Ook deze soort wordt in Noord-Afrika gevangen als kooivogel.

Wetenschappelijke naam

Serinus serinus | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Fringilla Serinus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Serinus werd in 1816 ingevoerd door Koch. Serinus is nieuwlatijn voor 'kanariegeel'. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zwitserland.