Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Dunbekmeeuw
Dunbekmeeuw | Chroicocephalus genei
Slender-Billed Gull | Gaviota picofina
Een bleke, slanke meeuw met een lange, slanke kop en een witte kop in elk kleed, die in het gidsgebied het domein deelt van de kluut: zoutpannen, sebkha's en ondiepe lagunes. Hij broedt verspreid van Tunesië tot de Perzische Golf en is in de Golf en langs de Rode Zee 's winters een van de gewoonste meeuwen.
Geluid
Lager, rauwer en nasaler dan de kokmeeuw: een gerekt krèèr of kaa en in de kolonie een gonzend, krassend gekwetter.
Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Iets groter dan de kokmeeuw, met een langgerekte kop, een lange, licht afhangende snavel en een lange hals, waardoor de vogel in rust en in vlucht een voorovergebogen, 'neuzige' indruk maakt. Volwassen vogels hebben een witte kop zonder kap, een lichtgrijze mantel en in het broedseizoen een roze waas over borst en buik; de snavel is donker rood en lijkt op afstand zwart, de poten zijn donkerrood. Het oog is bleek (lichtgeel tot wit), wat de vogel een 'starende' blik geeft. De vleugeltekening is als bij de kokmeeuw: een witte voorrand en zwarte toppen aan de handpennen. In winterkleed hooguit een vaag grijs vlekje achter het oog. Jonge vogels hebben een bleek oranje snavel en poten, een vage oorvlek en een bruine vleugelband.
Verwarringssoorten
De kokmeeuw (Chroicocephalus ridibundus) lijkt er in winterkleed sterk op, maar heeft een rondere kop, een kortere, rechtere snavel, een donker oog en een duidelijke donkere oorvlek; in broedkleed heeft die een chocoladebruine kap. Let bij een gemengde groep op het profiel: de dunbekmeeuw houdt de kop laag en vooruitgestoken en oogt langhalziger. De Audouins meeuw (Ichthyaetus audouinii) is groter, heeft een zware rode snavel en mist het witte vleugelvoorrand-patroon.
Leefgebied
Zoutpannen, sebkha's, kustlagunes, getijdenvlakten en beschutte baaien; minder op zoet water en zelden ver landinwaarts. Foerageert zwemmend en pikkend aan het wateroppervlak, vaak in dichte groepen, en duikt soms ondiep. Broedt in dichte kolonies op kale eilandjes en dijkjes in zoutpannen en lagunes, vaak samen met sterns.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In Noord-Afrika broedt hij vooral in Tunesië (zoutpannen van Sfax, eilandjes in de golf van Gabès), daarnaast onregelmatig en in kleine aantallen in Marokko en Algerije, en in Egypte op het Bardawilmeer en de deltameren bij Port Said. In het oosten liggen grote kolonies in Koeweit (Bubiyan) en Zuid-Irak, en kleinere aan de Saoedische Golfkust, in Bahrein, Qatar en de Emiraten. In de winter verspreidt hij zich over de hele kust van het gebied: de Atlantische en Middellandse Zeekust van Marokko, Tunesië, Libië en de Nijldelta, de Levantijnse kust, de Golf van Aqaba (Eilat), de Rode Zeekust van Egypte, Saoedi-Arabië en Jemen, en vooral de Perzische Golf en Oman (onder meer Barr al Hikman en Masirah), waar tienduizenden overwinteren. Landinwaarts schaars, bijvoorbeeld op de Iraakse moerassen en stuwmeren. Daarbuiten broedt hij verspreid rond de Middellandse en Zwarte Zee, van Mauritanië en Senegal tot Kazachstan en Pakistan.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de winter zijn de lagunes en zoutpannen van de Golf, zoals Al Jahra in Koeweit, Al Wathba en de kust van Abu Dhabi, en Barr al Hikman in Oman de beste plekken, met groepen van honderden tot duizenden vogels. In Eilat zit hij het hele jaar op de zoutpannen en het noordstrand. De Tunesische zoutpannen bij Sfax combineren hem met kluten en flamingo's.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. Omdat de broedpopulatie in het gebied op een handvol kolonies samengebald zit, is hij kwetsbaar voor verstoring, eierrapen, inpoldering en kustontwikkeling; de grote kolonies in Koeweit en Zuid-Irak hangen af van ongestoorde eilanden, en het verdwijnen van traditionele zoutwinning kost op sommige plaatsen broedgebied.
Wetenschappelijke naam
Chroicocephalus genei | (di Brème, 1839)
Di Brème beschreef de soort in 1839 als Larus Genei; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Chroicocephalus werd in 1836 ingevoerd door Eyton. Chroicocephalus verbindt het Oudgriekse khroikos 'gekleurd' met -kephalos '-koppig'. genei eert de Italiaanse natuuronderzoeker Giuseppe Gené. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Sardinië.

