Alle soorten › Koekoeksvogels › Koekoeken › Diederikkoekoek

Diederikkoekoek | Chrysococcyx caprius

Diederik Cuckoo | Cuclillo didric

Een kleine, glanzend groene koekoek met witte vlekken in de vleugel en een rood oog, die in het gidsgebied alleen in het zuidwesten van Arabië broedt. Zijn klimmende die-die-diederik klinkt in de zomer uit de wadi's en akkers van Jemen en Zuidwest-Saoedi-Arabië, waar hij zijn eieren bij wevers en mussen legt.

Diederikkoekoek (Chrysococcyx caprius)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een heldere, klimmende en luide reeks, die-die-die-diederik, vaak vele malen herhaald en door het mannetje zowel vanaf een uitkijkpost als in de vlucht gegeven. Het vrouwtje roept een zacht, klaaglijk diejee-diejee. Ook in de middaghitte te horen.

Luister: ZangXC889820

Opname: Peter Ward — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Het mannetje is van boven glanzend metaalgroen met een brons- of koperglans, met opvallende witte vlekken op de vleugeldekveren en de binnenvlag van de slagpennen en witte toppen aan de buitenste staartpennen. Voor en achter het oog loopt een witte streep, onderbroken door een groene oogstreep; iris en oogring zijn rood. De onderdelen zijn wit, met groene bandering op de flanken. Het vrouwtje is bronziger, met een geelbruin getinte keel en borst en meer bandering op de flanken. Jonge vogels hebben een opvallend koraalrode snavel, rossig gebandeerde bovendelen en gevlekte onderdelen. Vliegt snel en recht, vaak in achtervolgingen.

Verwarrings­soorten

In het gidsgebied komt geen andere glanskoekoek voor. Klaas' koekoek (Chrysococcyx klaas), die in Afrika ten zuiden van de Sahara leeft maar in het gebied niet is vastgesteld, mist de witte vleugelvlekken en heeft alleen een wit vlekje achter het oog en een donker oog. Bij slecht licht kan een vliegend vogeltje aan een honingzuiger of een kleine valk doen denken, maar de groene glans en de witte vlekken zijn kenmerkend.

Leefgebied

Acaciasavanne en struweel, wadi's met oeverbos, irrigatieakkers met hagen, terrassen in de bergen en dorpsranden, steeds waar wevers en mussen in kolonies broeden. Eet vooral rupsen en andere insecten, die hij in boomkruinen en struiken zoekt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Zomergast en broedvogel in Jemen, van de Tihama tot de westelijke en zuidelijke bergen, en in het zuidwesten van Saoedi-Arabië (Tihama en Asir); in Oman schaars in Dhofar. Gastheren zijn vooral Rüppells wever (Ploceus galbula) en de Arabische goudmus (Passer euchlorus). Elders in het gebied een dwaalgast. De Arabische vogels overwinteren vermoedelijk in Oost-Afrika. Daarbuiten in vrijwel heel Afrika ten zuiden van de Sahara.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Van mei tot augustus het makkelijkst te vinden bij weverkolonies in de wadi's van de Tihama en het zuidwesten van Saoedi-Arabië. Volg de klimmende roep en kijk naar boven in de acacia's: het mannetje zit vaak onbeweeglijk op een open tak voordat hij in een snelle vlucht achter een vrouwtje aangaat.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en in zijn Arabische broedgebied redelijk algemeen, al is zijn status in Jemen door weinig onderzoek slecht bekend. Hij is afhankelijk van gezonde populaties wevers en mussen en van de begroeiing langs wadi's.

Wetenschappelijke naam

Chrysococcyx caprius | (Boddaert, 1783)

Boddaert beschreef de soort in 1783 als Cuculus caprius; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Chrysococcyx werd in 1826 ingevoerd door Boie. Chrysococcyx komt van het Griekse chrysos, 'goud', en kokkyx, 'koekoek' — naar de metaalglanzende, groen-gouden bovendelen. caprius is volgens Jobling afgeleid van het Latijnse cupreus, 'koperkleurig' — naar de metaalglans van het verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.