Alle soorten › Zangvogels › Buidelmezen › Buidelmees

Buidelmees | Remiz pendulinus

Eurasian Penduline-Tit | Pájaro moscón europeo

Een piepklein, gemaskerd meesachtig vogeltje van rietland en oeverbos, beroemd om zijn viltige hangnest. In het gidsgebied is hij vooral een onopvallende wintergast in rietvelden en tamarisken langs rivieren en moerassen, die je meestal eerst aan zijn ijle roep opmerkt.

Buidelmees (Remiz pendulinus)
Foto: Иван Везенковић — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is het beste kenmerk: een hoog, ijl, langgerekt en licht dalend tsiiiuu, makkelijk te missen tussen ander rietgeluid. Daarnaast korte tsi-tsi-contactroepjes in groepjes. De zang, een zacht gekwetter met trillers, hoor je in het gebied zelden.

Luister: VluchtroepXC1186023

Opname: Thierry THOMAS — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Klein en fijn gebouwd, met een korte, spitse, kegelvormige snavel en een vrij lange staart. Het volwassen mannetje heeft een lichtgrijze kop met een breed zwart masker van de snavel over het oog tot achter de wang, een roestbruine mantel en een zandkleurige onderzijde, soms met wat roest op de borst. Het vrouwtje heeft een smaller, bruinzwart masker en een doffere mantel. Jonge vogels missen het masker en zijn effen zandbruin met een lichtere kop. Oostelijke vogels (vormen menzbieri en verwante) hebben vaak meer zwart op voorhoofd en kruin en een diepere kastanjekleurige mantel; vogels met een volledig zwarte kop kunnen wijzen op de zwartkopbuidelmees (Remiz macronyx), een aparte soort die niet in deze gids is opgenomen omdat er geen bevestigde waarneming uit het gebied bekend is.

Verwarrings­soorten

Het baardmannetje (Panurus biarmicus), in het gebied een dwaalgast, is groter, oranjebruin en heeft een zeer lange staart; het mannetje draagt een hangende zwarte snor in plaats van een masker. Klauwieren zoals de grauwe klauwier (Lanius collurio) hebben ook een zwart masker, maar zijn veel groter met een haaksnavel. Jonge buidelmezen zonder masker kunnen op een kleine, vale zanger lijken; let op de kegelsnavel en het meesachtige hangen aan rietpluimen.

Leefgebied

Rietvelden, lisdodde, tamarisken, wilgen en populieren langs rivieren, kanalen, meren en moerassen; in de winter ook in rietkragen van visvijvers en zoutwatermoerassen. Foerageert hangend aan rietpluimen en lisdoddekolven, waarvan hij de zaden en insectenlarven uitpluist. Het nest, een viltig peervormig zakje met een instaptuit, hangt aan een dunne tak boven water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In de Maghreb een schaarse wintergast in de wetlands van Noord-Marokko, Noord-Algerije en Noord-Tunesië (onder meer rond Ichkeul). In Egypte een schaarse wintergast in de Nijldelta en de Fajoem. In de Levant een vrij regelmatige wintergast in kleine aantallen, in Israël vooral in de Hula- en Bet She'an-vallei en de visvijvers van de kustvlakte, en verder in Libanon, Syrië en Jordanië; in Syrië en Noord-Irak zijn broedgevallen langs rivieren gemeld, maar die zijn slecht gedocumenteerd. In Irak een wintergast in de moerassen van het zuiden; in Koeweit, Oost-Saoedi-Arabië, Bahrein, Qatar en de Verenigde Arabische Emiraten een schaarse tot zeldzame wintergast, waarbij het om oostelijke vogels gaat. Daarbuiten broedt hij van Spanje en West-Europa door Midden- en Oost-Europa en Turkije tot West-Siberië en Kazachstan; de noordelijke en oostelijke vogels trekken naar het Middellandse Zeegebied en het Midden-Oosten.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Luister in de winter bij rietkragen en tamarisken langs visvijvers naar het ijle tsiiiuu; in Israël zijn de visvijvers van de Bet She'an-vallei en de Hulavallei een goede gok, in Tunesië het Ichkeulmeer.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd; de Europese populatie is in het westen uitgebreid. In het gidsgebied schaars en ongelijk verspreid; het verdwijnen van rietland en oeverbos is de belangrijkste lokale bedreiging.

Wetenschappelijke naam

Remiz pendulinus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Motacilla pendulinus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Remiz werd in 1819 ingevoerd door Jarocki. Remiz is het Poolse woord remiz voor de buidelmees. pendulinus is Latijn voor 'hangend', bij pendulus, naar het beursvormige nest dat aan een tak hangt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Polen.