Alle soorten › Zangvogels › Klauwieren › Bruinrugklauwier
Bruinrugklauwier | Lanius vittatus
Bay-Backed Shrike | Alcaudón dorsicastaño
De bruinrugklauwier is een kleine, bonte klauwier van Zuid-Azië, van Iran en Afghanistan tot India. Het gidsgebied ligt aan de uiterste westrand van zijn areaal: in het noorden van Oman en de Emiraten is hij een zeldzame gast die er af en toe ook broedt, en verder westelijk een dwaalgast.
Geluid
Een hard, ratelend tsjur-r of tsjèk. De zang is een aangenaam, vloeiend gekwetter met veel imitaties van andere vogels.
Opname: Jelle Scharringa — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
17 cm. Een kleine, langstaartige klauwier met een zwart voorhoofd en een breed zwart masker, een grijze kruin en nek en een diep kastanjebruine rug en schouders. De stuit is witachtig, de vleugels zijn zwart met een kleine witte handpenvlek en de staart is zwart met witte zijkanten en punten. De onderzijde is wit met warm roomgele tot okerkleurige flanken. Het vrouwtje is doffer, met een bruiner masker en minder zwart op het voorhoofd. Jonge vogels zijn grijsbruin, fijn gebandeerd boven en onder, en hebben al een witte handpenvlek en een lange staart met witte randen.
Verwarringssoorten
De grauwe klauwier (Lanius collurio) heeft ook een grijze kop en roodbruine rug, maar mist het zwarte voorhoofd, heeft een grijze stuit, geen witte handpenvlek en minder wit in de staart. De langstaartklauwier (Lanius schach) is groter, met een langere staart, een grijze bovenrug en een roestbruine stuit en flanken. Jonge vogels kunnen lijken op jonge maskerklauwieren (Lanius nubicus) of roodkopklauwieren (Lanius senator), maar hebben een warmere, roodbruine rug.
Leefgebied
Droog, open terrein met verspreide struiken en kleine bomen: acaciastruweel op vlakten en in wadi's, bergterrassen met struiken en kleine akkers, en de randen van dorpen en oases in het gebergte.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In het gidsgebied vooral in het noorden van Oman en de oostelijke Emiraten, waar hij een zeldzame doortrekker en schaarse wintergast is; hij heeft er enkele keren gebroed, in Musandam (Ar Rowdah, 2004) en in Wadi Masafi in de Emiraten (2010). Verder westelijk zijn er losse gevallen in Bahrein (2020) en Koeweit (2020), en in Qatar is hij genoemd zonder zeker geval. Daarbuiten is hij standvogel of korteafstandstrekker van Turkmenistan, Iran en Afghanistan door Pakistan en Nepal tot vrijwel heel India.
- Jaarrond
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De beste kans is in het voorjaar in de wadi's en op de bergterrassen van het Hajargebergte in de Emiraten en Musandam, zoals rond Masafi en in de wadi's bij Fujairah. Let op elke kleine klauwier met een zwart voorhoofd en een kastanjebruine rug, en meld een waarneming bij de nationale avifaunistische commissie.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en in Zuid-Azië algemeen. In het gidsgebied zo zeldzaam dat er geen sprake is van een vaste stand; de broedgevallen in Oman en de Emiraten passen bij een lichte uitbreiding van het areaal naar het westen.
Wetenschappelijke naam
Lanius vittatus | Valenciennes, 1826
Valenciennes beschreef de soort in 1826 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Lanius werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Lanius is Latijn voor 'slager', naar de gewoonte van klauwieren om prooien op doorns en prikkeldraad te spietsen. vittatus is Latijn voor 'met een band', naar het zwarte oogmasker. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Puducherry in India.


