Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Breedbekstrandloper
Breedbekstrandloper | Calidris falcinellus
Broad-Billed Sandpiper | Correlimos falcinelo
Een kleine, donkere strandloper met een lange snavel die aan de punt omlaag knikt en een dubbele witte wenkbrauw. Waar hij in Europa een gewilde zeldzaamheid is, zijn de getijdenvlakten van de Perzische Golf en Oman juist een van zijn belangrijkste overwinteringsgebieden ter wereld.
Geluid
Een droog, zoemend tsjrrriet of brrreet, droger en meer gerold dan de roep van de bonte strandloper.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Iets kleiner dan een bonte strandloper, met kortere poten en een relatief lange, aan de basis brede snavel die aan het eind duidelijk omlaag knikt. Kenmerkend is de gevorkte witte wenkbrauw: boven het oog splitst de lichte streep zich in een smalle bovenste en een bredere onderste tak. In broedkleed zijn de bovendelen donker zwartbruin met lichte, snipachtige rugstrepen, en de borst is dicht gestreept. In winterkleed grijs boven met donkere centra en een donkere vleugelboeg, wit onder, maar de kopstreping blijft zichtbaar. Juvenielen lijken op het broedkleed, met frisse rossige randen. Poten donker olijfgrijs. In vlucht een smalle vleugelstreep en een donkere middenstreep over de stuit.
Verwarringssoorten
De bonte strandloper (Calidris alpina) is groter, met langere poten, een gelijkmatig gebogen snavel en geen gevorkte wenkbrauw; in broedkleed een zwarte buikvlek. De kleine strandloper (Calidris minuta) is kleiner, met een korte rechte snavel en zwarte poten. Op afstand doet de streperige kop ook aan een watersnip (Gallinago gallinago) in miniatuur denken, maar die leeft in heel ander terrein en heeft een veel langere snavel.
Leefgebied
Zachte, natte slikvlakten en de randen van ondiepe lagunes, vaak in de buurt van mangroven; ook zoutpannen, sebkha's en kustplassen met fijn slib. Foerageert langzaam, met korte steken diep in het slik, vaak tussen bonte en kleine strandlopers.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Talrijk langs de Golfkust van Koeweit (Khor al Subiya, de Jahra-baai), Saoedi-Arabië, Bahrein, Qatar en de Emiraten, waar hij op doortrek en 's winters op getijdenvlakten zoals Khor al Beida in grote aantallen zit, en langs de kusten van Oman, met Barr al Hikman en het eiland Masirah als bolwerken. Ook doortrekker en wintergast langs de Rode Zeekust van Saoedi-Arabië en Jemen en de kusten van de Golf van Aden. In Zuid-Irak doortrekker. In Egypte schaars langs de Golf van Suez en de Rode Zee; in Israël een kleine maar regelmatige doortrekker, vooral bij Eilat in mei en in augustus–september. In Noord-Afrika schaars op doortrek in Tunesië en Libië en zeldzaam in Marokko en Algerije. Daarbuiten broedt hij in bergvenen van Noord-Scandinavië en op de toendra van Noord-Rusland en Siberië, en overwintert hij van Oost-Afrika en Arabië tot Zuid- en Zuidoost-Azië en Australië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Op de getijdenvlakten van Khor al Beida (Umm al Qaiwain) en bij Khor al Subiya in Koeweit zijn in april en mei soms honderden vogels in broedkleed te zien. Kom bij opkomend water, wanneer de vogels dichter naar de kust schuiven, en let op de knik in de snavel en de dubbele wenkbrauw.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar. De wereldpopulatie neemt snel af, vooral door verlies van getijdenvlakten langs de trekroutes in Oost-Azië en het Midden-Oosten. De Arabische overwinteringsgebieden zijn van groot internationaal belang; inpoldering, havenuitbreiding en vervuiling langs de Golf vormen de grootste bedreigingen in het gidsgebied.
Wetenschappelijke naam
Calidris falcinellus | (Pontoppidan, 1763)
Pontoppidan beschreef de soort in 1763 als Scolopax Falcinellus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. falcinellus is een verkleinwoord van het Latijnse falx, falcis 'zeis, sikkel' en betekent dus 'sikkeltje'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Seeland in Denemarken.

