Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Atlaswoestijnvink
Atlaswoestijnvink | Rhodopechys alienus
African Crimson-Winged Finch | Camachuelo alirrojo africano
De Atlaswoestijnvink is de woestijnvink van het hooggebergte van de Maghreb, een forse, zwaarsnavelige vink met roze in de vleugel. Volgens AviList is hij een eigen soort, afgesplitst van de rode woestijnvink van de Levant en Azië; hij komt alleen in Marokko en Algerije voor.
Geluid
De roep is een zacht, rollend dvuu-ie of een kort tsjie-rup, in vlucht een tjilpend tsjip. De zang is een korte, melodieuze, wat kabbelende strofe vanaf een rotsblok.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
15–17 cm. Gedrongen, met een grote kop, een zware, gele tot hoornkleurige kegelsnavel en een korte, licht gevorkte staart. Zandkleurig grijsbruin met vage streping op de rug en een grijzere kop en hals. Het mannetje heeft een roze waas op wang en borst, een helder rozerood paneel op de grote dekveren en de randen van de vleugelpennen, en wit omzoomde buitenste staartpennen. Kin en keel zijn grijswit met een roze zweem, begrensd door een smalle bruine borstband; het zwart op de kruin ontbreekt of beperkt zich tot het voorhoofd. De bovenstaartdekveren zijn niet roze, hooguit wijnrood getint in vers kleed. Het vrouwtje is valer met minder roze.
Verwarringssoorten
De rode woestijnvink (Rhodopechys sanguineus) van de Levant komt in hetzelfde gebied niet voor; het mannetje heeft een zwartbruine kruin, een egaal bruine keel en borst, roze bovenstaartdekveren en vaak zwarte vlekjes op de borstzijden. De woestijnvink (Bucanetes githagineus) is veel kleiner en bolronder, met een korte koraalrode snavel en geen helder vleugelpaneel. De kneu (Linaria cannabina) is veel slanker en heeft witte vlekken in vleugel en staart en een donkere snavel.
Leefgebied
Kale, stenige hellingen, alpiene graslanden en rotsige plateaus boven de boomgrens, met kussenplanten en verspreid struikgewas, van ongeveer 1800 tot boven 3500 m. Foerageert op de grond op zaden en zoekt dagelijks water op. In de winter in groepen op lagere hellingen, in dalen en op akkers.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Endemisch voor de Maghreb: de Hoge en Midden-Atlas van Marokko en plaatselijk de hogere bergen van Noord-Algerije, onder meer de Aurès; oude meldingen uit de Saharaatlas zijn schaars. Niet daarbuiten.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Oukaïmeden in de Hoge Atlas is de klassieke plek: in de vroege ochtend foerageren groepjes op de alpiene weiden en bij de waterpoelen rond het skistation. In de winter ook lager in de dalen van de Hoge Atlas.
Staat van instandhouding
De populatie is klein en versnipperd en daarmee kwetsbaar voor overbegrazing en klimaatverandering in het hooggebergte; recreatie en skitoerisme rond Oukaïmeden verstoren plaatselijk. Als aparte soort is hij nog weinig onderzocht en over de populatieomvang is weinig bekend.
Wetenschappelijke naam
Rhodopechys alienus | Whitaker, 1897
Whitaker beschreef de soort in 1897 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Rhodopechys werd in 1851 ingevoerd door Cabanis. Rhodopechys is Grieks, van rhodon 'roos' en pēkhus 'onderarm', samen rhodopēkhus 'rozearmig', naar het roze in de vleugel. alienus is Latijn voor 'vreemd, afwijkend', omdat deze Noord-Afrikaanse vorm afwijkt van de Aziatische woestijnvink. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Marokko.

