Alle soorten › Scharrelaarachtigen › Bijeneters › Arabische kleine groene bijeneter

Arabische kleine groene bijeneter | Merops cyanophrys

Arabian Green Bee-Eater | Abejaruco esmeralda árabe

Een piepkleine, smaragdgroene bijeneter met een fel blauw gezicht, de gewone bijeneter van de Arabische wadi's, tuinen en palmgaarden. Hij jaagt vanaf een lage acaciatak of een draad en keert na elke uitval naar dezelfde zitplaats terug.

Arabische kleine groene bijeneter (Merops cyanophrys)
Foto: מינוזיג - MinoZig — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een droog, hoog, rollend trie-trie-trie of tit-tit-tit, ijler en scherper dan het volle proe-proe van de bijeneter en zelden ver dragend. Het hele jaar te horen; bij verstoring lopen de tonen aaneen tot een snel geratel.

Luister: VluchtroepXC1059031

Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Klein en slank, met een dunne, licht gebogen zwarte snavel, spitse vleugels en twee naaldfijne middelste staartpennen die maar ongeveer 2 cm uitsteken; de lengte hierboven is inclusief die pennen. Het kleed is grasgroen met een koperige gloed over vleugels en staart. Voorhoofd, wenkbrauw, kin en keel zijn helder hemelsblauw, en over de bovenborst loopt een smalle zwarte halvemaan. De iris is rood. De oostelijke ondersoort muscatensis (centraal en Oost-Arabië) is bleker, met een gelig groene buik. Jonge vogels zijn doffer, zonder staartpennen en zonder zwarte borstband.

Verwarrings­soorten

De groene bijeneter (Merops persicus) broedt deels in dezelfde streken maar is ongeveer anderhalf keer zo lang, met een gele kin, een roestbruine keel en staartpennen van 6–8 cm. De bijeneter (Merops apiaster) is nog groter en kastanjebruin met goud. De aziatische kleine groene bijeneter (Merops orientalis) van Iran heeft langere staartpennen en minder blauw in het gezicht; de Afrikaanse kleine groene bijeneter (Merops viridissimus) van de Nijlvallei heeft 8–10 cm lange staartpennen en een groenere keel.

Leefgebied

Open woestijn- en halfwoestijnvalleien met verspreide acacia's en tamarisken, wadi's, dadelpalmtuinen, bevloeide akkers, parken en de randen van vijvers en waterzuiveringen, van zeeniveau tot hoog in de Arabische bergen. Volkomen kale woestijn mijdt hij. De nestgang graaft hij in een lage zandwand of gewoon in vlak zand.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Algemeen over het grootste deel van het Arabisch schiereiland. De nominaatvorm cyanophrys broedt in Zuid-Israël (Arava, Dode Zee, Eilat, en noordwaarts opschuivend door de Jordaanvallei), West-Jordanië (Wadi Araba, Aqaba, Dode Zee), een klein deel van de Sinaï, West- en Zuid-Saoedi-Arabië (Hejaz, Asir, Tihama) en Jemen; de vorm muscatensis leeft in centraal en Oost-Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten, waar hij zeer algemeen is, en Oman. In Egypte buiten de Sinaï, in Irak en in Koeweit ontbreekt hij vrijwel. Buiten het gidsgebied komt de soort niet voor: hij is sinds 2021 als aparte soort erkend, los van de Afrikaanse en Aziatische groene bijeneters.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de Emiraten en Oman zit hij in vrijwel elk park, op golfbanen en bij elke akker; in Israël levert een ochtend in de Arava (Yotvata, Neot Semadar, Lotan) hem vrijwel zeker op. In de zomerhitte zijn het eerste en laatste uur licht het best; in de winter zitten de vogels tot laat in de ochtend te zonnen op draden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in aantal toenemend. Irrigatielandbouw, tuinen en waterbekkens hebben insecten en zitplaatsen in de woestijn gebracht, waardoor de soort zich heeft uitgebreid. Het gladtrekken van zandwanden en insecticiden op de akkers schaden hem plaatselijk.

Wetenschappelijke naam

Merops cyanophrys | (Cabanis & Heine, 1860)

Cabanis & Heine beschreef de soort in 1860 als Philothrus cyanophrys; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Merops werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Merops is Grieks en betekent 'bijeneter'. cyanophrys is Grieks, van kuanos 'donkerblauw' en ophrus 'wenkbrauw', naar de blauwe streep boven het oog. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Al Qunfudhah in Saoedi-Arabië.