Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Appelvink
Appelvink | Coccothraustes coccothraustes
Hawfinch | Picogordo común
De appelvink is de forste vinkachtige van het gebied, een gedrongen vogel met een enorme kegelsnavel waarmee hij kersen- en olijfpitten kraakt. In de Maghreb broedt een eigen, bleke vorm in de bergbossen; in het Midden-Oosten is hij een schaarse wintergast.
Geluid
De roep is een kort, hard en scherp tsik of pix, dat aan de roep van een roodborst doet denken en vaak het eerste teken van aanwezigheid is; ook een dun tsieh. De zang is zacht, haperend en weinig opvallend.
Opname: Lars Edenius — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
16,5–18 cm. Groot, kortstaartig en zwaargebouwd, met een dikke nek en een zeer zware, kegelvormige snavel die in de zomer staalblauw en in de winter hoornkleurig is. Het mannetje is warm oranjebruin op kop en wangen, met een grijze nekband, een zwarte kin en teugels, een donkerbruine mantel en een roze-beige onderzijde. De vleugels zijn blauwzwart met een brede witte vleugelband en vreemd gekrulde, glanzende handpennen; de korte staart heeft een brede witte eindband. Het vrouwtje is valer en heeft een grijzig paneel op de armpennen. In vlucht vallen de brede witte vleugelband en de witte staarteindband op. De Noord-Afrikaanse vorm buvryi is bleker dan de Europese.
Verwarringssoorten
In het gebied nauwelijks met andere soorten te verwarren door de combinatie van formaat, snavel en kortstaartig silhouet. De rode woestijnvink (Rhodopechys sanguineus), die in de Atlas en de Levant in hetzelfde gebergte voorkomt, heeft ook een zware snavel maar is zandbruin met roze in vleugel en stuit en mist de witte vleugelband.
Leefgebied
In de Maghreb gemengd bergbos van ceder, eik en pijnboom, en verder boomgaarden, olijfgaarden en parken, vooral waar hoge bomen staan. Wintergasten in de Levant in eikenbos, boomgaarden en parken met zaadrijke bomen zoals haagbeuk, esdoorn en olijf.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Broedvogel in Marokko (Rif, Midden- en Hoge Atlas), het noorden van Algerije en het noordwesten van Tunesië. Schaarse en onregelmatige wintergast in Israël (vooral Hermon, Golan en Galilea), Libanon, Syrië en het noorden van Irak; zeldzaam tot dwaalgast in Jordanië, Egypte, Koeweit, Saoedi-Arabië en de Golfstaten. Daarbuiten broedt hij van Europa door gematigd Azië tot Japan; noordelijke vogels trekken in de winter naar het zuiden.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Luister in de cederbossen van de Midden-Atlas naar het harde tsik uit de boomkruinen; appelvinken zitten vaak stil hoog in de kroon en worden eerder gehoord dan gezien. In de Levant loont het in de winter drinkplaatsen in het bos te posten.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In de Maghreb plaatselijk vrij algemeen in bergbos maar kwetsbaar voor de achteruitgang van de ceder- en eikenbossen.
Wetenschappelijke naam
Coccothraustes coccothraustes | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Loxia coccothraustes; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Coccothraustes werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Coccothraustes is Grieks, van kokkos 'pit, zaad' en thrauo 'breken', naar de zware snavel die pitten kraakt. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Italië.

