Alle soorten › Zangvogels › Mierlijsters › Zwartkopmierlijster

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Zwartkopmierlijster | Formicarius nigricapillus

Black-headed Antthrush | Formicario cabecinegro

De zwartkopmierlijster is een donkere grondvogel van vochtig voetheuvelbos in Costa Rica en Panama. Net als de andere mierlijsters loopt hij met opgewipte staart over de bosbodem en verraadt hij zich vooral door zijn zang. Hij is schuwer dan de zwartkeelmierlijster en wordt minder vaak gezien.

Zwartkopmierlijster (Formicarius nigricapillus)
Foto: Barry Reed — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een reeks van ongeveer tien tot twintig korte, holle fluittonen die steeds luider worden en wat stijgen, en dan abrupt stoppen.

Luister: AlarmroepXC841739

Opname: Niels Krabbe — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

18 cm, met een gedrongen, ronde bouw, vrij lange poten en een korte staart die vaak omhoog wordt gehouden. Kop, hals en borst zwart; rond het oog een smalle, kale blauwachtige huidring. Rug, vleugels en staart donker olijfbruin tot roodbruin. Buik donker olijfgrijs, onderstaartdekveren roodbruin. Snavel zwart. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De zwartkeelmierlijster Formicarius analis heeft alleen een zwarte keel en wang, een bruine kruin, een roodbruine halszijde en een grijze buik, en leeft vooral lager. De roodborstmierlijster Formicarius rufipectus heeft een roodbruine borst en kruin en leeft gemiddeld hoger in de bergen.

Leefgebied

Bodem en ondergroei van vochtig, altijdgroen voetheuvelbos en het lagere bergbos, vooral op steile hellingen en in ravijnen; ruwweg tussen 300 en 1200 m, plaatselijk lager of hoger. Zoekt lopend in de strooisellaag naar insecten en andere ongewervelde dieren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Caribische kant van Costa Rica en het westen van Panama; verder plaatselijk in Panama, onder meer in het oosten (Darién). Buiten het gidsgebied in het westen van Colombia en Ecuador.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het best op te sporen aan de zang in het voetheuvelbos aan de Caribische kant van Costa Rica. Blijft meestal goed verborgen in dichte ondergroei; geduld bij een zingende vogel is nodig.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Plaatselijk vrij algemeen, maar beperkt tot een smalle hoogtezone en daardoor gevoelig voor ontbossing van de voetheuvels.

Wetenschappelijke naam

Formicarius nigricapillus | Ridgway, 1893

Ridgway beschreef de soort in 1893 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Formicarius werd in 1783 ingevoerd door Boddaert. Formicarius is Latijn, van formica 'mier' met het achtervoegsel -arius: 'mierenvogel'. nigricapillus is Latijn, van niger 'zwart' en capillus 'hoofdhaar', naar de zwarte kop. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Buena Vista, Costa Rica.