Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Kolibries › Zwartkinkolibrie
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Nachtzwaluwen en gierzwaluwen Strisores
Zwartkinkolibrie | Archilochus alexandri
Black-chinned Hummingbird | Colibrí barba negra
De zwartkinkolibrie is de westelijke tegenhanger van de robijnkeelkolibrie. Hij broedt in het westen van de Verenigde Staten en het noorden van Mexico en overwintert vooral in het westen van Mexico. In het gidsgebied is hij daardoor in het noorden zomergast en verder naar het zuiden wintergast. Zittend wipt hij voortdurend met zijn staart.
Geluid
Een zacht, droog tsjuu of tsjip, en bij achtervolgingen een snel gekwetter. De vleugels van het mannetje geven in de vlucht een droog, laag zoemen.
Opname: Thomas G. Graves — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
8–9 cm, met een vrij lange, rechte zwarte snavel. Het mannetje is dof groen op de bovendelen, met een doffe, grijsgroene kruin, een fluweelzwarte keel met een smalle, glanzend violette onderrand die alleen in goed licht zichtbaar is, een witte band onder de keel en grijsgroene flanken; de staart is licht gevorkt en donker. Het vrouwtje heeft een vuilwitte keel, soms met fijne grijze stippen, grijswitte onderdelen met licht grijsbruine flanken en een afgeronde staart met witte toppen aan de buitenste pennen.
Verwarringssoorten
Vrouwtjes en jonge vogels van de robijnkeelkolibrie Archilochus colubris zijn vrijwel gelijk; die soort heeft een iets kortere snavel, smallere en spitsere binnenste handpennen en een groenere kruin, en wipt minder met de staart. De costa's kolibrie Calypte costae is kleiner, met een kortere staart; het mannetje heeft een paarse kruin en een paarse keel met lange zijpunten. De anna's kolibrie Calypte anna is groter en grijzer, en het vrouwtje heeft vaak een rozerode vlek midden op de keel. Vrouwtjes van de luciferkolibrie Calothorax lucifer hebben een gebogen snavel en lichtbruingele onderdelen.
Leefgebied
Broedt in droog gebied langs beken en rivieren met wilgen, populieren en platanen, in canyons met eikenbos, in woestijnwasbeddingen en in tuinen in dorpen en steden. In de winter in droog tropisch bos, doornstruweel, bosranden en tuinen, van zeeniveau tot in het hoogland.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Broedt in het noorden van Mexico, onder meer in Baja California, Sonora, Chihuahua, Coahuila, Nuevo León en Durango, en verder noordelijk in het westen van de Verenigde Staten tot in het zuidwesten van Canada. Overwintert vooral in het westen van Mexico, van Sinaloa via Nayarit, Jalisco en Colima tot Michoacán en Guerrero, en in kleinere aantallen in het centrale hoogland. Verder zuidelijk in het gidsgebied zeldzaam.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de winter bij bloeiende bomen en struiken en bij voedertafels in de Pacifische laaglanden en hellingen van Nayarit en Jalisco; in de zomer langs beken en in tuinen in Sonora, Chihuahua en Coahuila.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De wereldstand is groot en lijkt stabiel of toe te nemen. De soort past zich goed aan tuinen en bewoond gebied aan.
Wetenschappelijke naam
Archilochus alexandri | (Bourcier & Mulsant, 1846)
Bourcier & Mulsant beschreef de soort in 1846 als Trochilus Alexandri; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Archilochus werd in 1854 ingevoerd door Reichenbach. Archilochus eert de Griekse dichter Archilochos van Paros (7e eeuw v.Chr.); Reichenbach noemde veel kolibriegeslachten naar figuren uit de oudheid. alexandri eert dokter Alexandre, een Franse arts die in de jaren 1840 vogels verzamelde in Mexico. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Sierra Madre, Mexico.






