Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Zaaguil

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Roofvogels, uilen, ijsvogels en spechten Afroaves › Havikachtigen en uilen Hieraves

Zaaguil | Aegolius acadicus

Northern Saw-whet Owl | Tecolote afilador

De zaaguil is een kleine uil met een grote kop en een korte staart, die broedt in naald- en gemengd bos van Alaska en Canada tot in de bergen van Mexico. In het gidsgebied is hij een schaarse standvogel van hooggelegen naald-, eiken- en pijn-eikenbos, zuidwaarts tot Oaxaca. Hij is strikt nachtactief en wordt vooral aan de zang opgemerkt. De naam verwijst naar een raspende roep die aan het slijpen van een zaag doet denken.

Zaaguil (Aegolius acadicus)
Foto: Mykola Swarnyk — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een lange, eentonige reeks fluitende toeten, toe-toe-toe-toe, ongeveer twee per seconde, die soms minutenlang doorgaat. Daarnaast een raspend, zaagachtig geluid en hoge, piepende roepen. Zingt vooral in de late winter en het voorjaar.

Luister: ZangXC1181224

Opname: Ray Cooke — CC BY-NC 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

18–21 cm, met een grote ronde kop zonder oorpluimen, gele ogen en een zwarte snavel. De gezichtsschijf is lichtbruin tot wit met fijne donkere strepen en een witte V tussen de ogen; voorhoofd en kruin zijn fijn wit gestreept. De bovendelen zijn bruin met witte vlekken op de vleugel; de onderdelen zijn wit met brede roodbruine lengtestrepen. Jonge vogels zijn chocoladebruin met een witte V boven de snavel en een egaal kaneelkleurige buik.

Verwarrings­soorten

De ridgways zaaguil Aegolius ridgwayi, die ten zuiden van de landengte van Tehuantepec leeft, heeft egaal okerkleurige onderdelen zonder strepen en een ongestreepte kruin; hij lijkt sterk op een jonge zaaguil, maar beide soorten komen niet samen voor. De dwerguilen (Glaucidium), zoals de bergdwerguil Glaucidium gnoma, zijn kleiner, hebben een langere, gebandeerde staart en valse ogen op het achterhoofd. De Amerikaanse dwergooruil Psiloscops flammeolus heeft donkere ogen en kleine oorpluimen.

Leefgebied

Naaldbos en pijn-eikenbos in de bergen, met zilverspar, den en eik, vaak in ravijnen en langs beken; in Mexico vooral in het hooggebergte boven ongeveer 2000 m. Broedt in oude spechtenholen. Jaagt ’s nachts vanaf een lage zitpost op muizen en andere kleine zoogdieren, soms op kleine vogels en grote insecten. Overdag zit hij stil, vaak laag in dicht gebladerte.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Standvogel in de bergen van Mexico: in de Sierra San Pedro Mártir in Baja California, in de Sierra Madre Occidental van Sonora en Chihuahua tot Sinaloa, Durango en Jalisco, in de Sierra Madre Oriental van Coahuila en Nuevo León, en in de vulkanische bergketen van Michoacán tot Veracruz, zuidwaarts tot de bergen van Oaxaca. Overal schaars en plaatselijk, en waarschijnlijk vaak over het hoofd gezien. Ten zuiden van de landengte van Tehuantepec wordt hij vervangen door de ridgways zaaguil. Buiten het gidsgebied broedend in Canada, het zuidoosten van Alaska en grote delen van de Verenigde Staten; noordelijke vogels trekken in de winter zuidwaarts, maar bereiken het gidsgebied zelden.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In maart en april is de zang ’s nachts te horen in naald- en eikenbos op de hellingen van de vulkanen rond de vallei van Mexico en in de bergen van Oaxaca. Een zittende vogel is meestal alleen te vinden door de zang te volgen; eenmaal gevonden blijft hij vaak rustig zitten.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De Mexicaanse populatie is klein en weinig onderzocht en wordt soms als aparte ondersoort beschouwd; zij is kwetsbaar voor houtkap en bosbranden in het hooggebergte.

Wetenschappelijke naam

Aegolius acadicus | (Gmelin, 1788)

Gmelin beschreef de soort in 1788 als Strix acadica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Aegolius werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Aegolius is het Latijnse woord voor een soort uil, ontleend aan het Griekse aigōlios, 'vogel van slecht voorteken'. acadicus betekent 'van Acadië', de oude Franse naam voor het gebied rond Nova Scotia, waar de soort vandaan werd beschreven. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Nova Scotia, Canada.