Alle soorten › Pelikaanachtigen › Ibissen en lepelaars › Witmaskeribis

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Keerkringvogels en watervogels Phaethoquornithes › Water- en moerasvogels Aequornithes

Witmaskeribis | Plegadis chihi

White-faced Ibis | Morito cariblanco

De witmaskeribis is een donkere ibis met een lange, gebogen snavel en in het broedkleed een witte rand rond een rood gezicht. Hij is de westelijke tegenhanger van de zwarte ibis. In Mexico broedt hij plaatselijk op de hoogvlakte en in kustmoerassen, en in de winter komen er grote aantallen uit het westen van Noord-Amerika bij; zuidelijker is hij zeldzaam.

Witmaskeribis (Plegadis chihi)
Foto: Frank Schulenburg — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal stil. In vlucht en bij de kolonie een laag, kwakend grrr of ka-onk en zacht gegrom.

Luister: VluchtroepXC1184608

Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

46–56 cm. Een slanke, donkere ibis met lange poten en een lange, omlaag gebogen snavel. Volwassen vogels in broedkleed zijn kastanjebruin met een groene en paarse metaalglans op vleugels en rug. De kale gezichtshuid is roze tot rood en wordt omgeven door een brede witte rand van veertjes die ook achter het oog en onder de kin doorloopt. Het oog is rood, de poten zijn roodachtig. Buiten de broedtijd ontbreekt de witte rand grotendeels, zijn kop en hals donker met fijne witte strepen en is de gezichtshuid dof roze; het oog blijft rood. Jonge vogels zijn doffer, met een bruin oog. Vliegt met gestrekte hals in rijen of V-formaties, vaak in grote groepen.

Verwarrings­soorten

De zwarte ibis Plegadis falcinellus heeft een donker oog, een donkere gezichtshuid met dunne lichtblauwe randen die niet achter het oog doorlopen, en grijsgroene poten. Bij jonge vogels en vogels in winterkleed lijken beide soorten sterk op elkaar en geven oogkleur en gezichtshuid de doorslag. Jonge witte ibissen Eudocimus albus hebben een witte buik en stuit. De Amerikaanse wulp Numenius americanus is lichtbruin en heeft een nog langere, dunnere snavel.

Leefgebied

Zoete moerassen, ondiepe meren, natte graslanden, rijstvelden, geïrrigeerde akkers, overstroomde weilanden en de randen van zout- en sodameren; in de winter ook kustmoerassen en lagunes. Foerageert in groepen en prikt in modder en ondiep water naar insecten, regenwormen, kreeftachtigen en kleine vissen. Broedt in kolonies in dichte moerasvegetatie zoals biezen en lisdodde, of in lage struiken boven het water.

Verspreiding en trek

Broedvogel op een aantal plekken in Mexico, vooral in moerassen en aan meren van de centrale hoogvlakte, zoals in Jalisco, Michoacán, Guanajuato en Durango, en plaatselijk in kustmoerassen. In de winter wijd verspreid over Mexico, van Baja California en Sonora tot Tamaulipas en in het zuiden tot Oaxaca en Chiapas, op de hoogvlakte en langs beide kusten. In Midden-Amerika zeldzaam, vooral in de winter, met waarnemingen zuidelijk tot Costa Rica. Buiten het gidsgebied in het westen van de Verenigde Staten en in Zuid-Amerika, in Bolivia, Paraguay, het zuiden van Brazilië, Uruguay, Argentinië en Chili.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Moerassen en meren op de hoogvlakte van Jalisco en Michoacán, zoals rond het meer van Chapala en de Laguna de Cuitzeo, en geïrrigeerde akkers in het noordwesten bieden de meeste kans, vooral in de winter. Bij goed licht zijn het rode oog en het roze gezicht ook buiten de broedtijd te zien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is na een achteruitgang in het midden van de twintigste eeuw door pesticiden en het verlies van moerassen sterk hersteld. In Mexico zijn de broedplaatsen gevoelig voor ontwatering en verandering in het waterpeil.

Wetenschappelijke naam

Plegadis chihi | (Vieillot, 1817)

Vieillot beschreef de soort in 1817 als Numenius chihi; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Plegadis werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Plegadis is Grieks, van plēgas, plēgados 'sikkel', naar de kromme snavel. chihi is een klanknabootsende naam die Vieillot in 1817 aan de vogel gaf, naar de beschrijving van Félix de Azara uit Paraguay. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Paraguay en de pampa van Buenos Aires, Argentinië.