Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Kolibries › Witkruinkolibrie

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Nachtzwaluwen en gierzwaluwen Strisores

Witkruinkolibrie | Microchera albocoronata

Snowcap | Colibrí copete de nieve

De witkruinkolibrie is een van de kleinste kolibries van het gidsgebied. Het mannetje is donker wijnpaars met een helderwitte kruin, die in het schemerige bos oplicht. De soort leeft in de voetheuvels aan de Caribische kant van Honduras tot Panama en zoekt vaak de kruin en randen van het bos op.

Witkruinkolibrie (Microchera albocoronata)
Foto: Andy Reago & Chrissy McClarren — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een ijl, hoog tsip en een zacht, kwetterend gepiep.

Luister: ZangXC279252

Opname: Ernest Carman — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

6–7 cm, met een korte, rechte zwarte snavel. Het mannetje is donker purper- tot wijnrood, met een helderwitte kruin en een witte staart met een donkere band en donkere middelste pennen; jonge mannetjes zijn gevlekt groen en purper. Het vrouwtje is groen van boven en grijswit van onderen, met een kleine witte vlek achter het oog en een staart met witte toppen en een donkere band.

Verwarrings­soorten

Het vrouwtje van de koperkopsmaragdkolibrie Microchera cupreiceps heeft een iets gebogen snavel en een koperkleurige kruin en stuit. Het vrouwtje van de witstaartsmaragdkolibrie Microchera chionura leeft hoger en aan de Pacifische kant. Het vrouwtje van de paarskopkolibrie Klais guimeti heeft een blauwe kruin, een grijze keel en een groene staart zonder veel wit.

Leefgebied

Kruin en randen van vochtig voetheuvelbos, open plekken, oud secundair bos en randen van rivieren, ongeveer tussen 300 en 900 m, plaatselijk tot 1200 m. Foerageert vaak hoog in bloeiende bomen zoals Inga, maar daalt aan bosranden af naar bloeiende struiken; vangt kleine insecten. Verplaatst zich met de bloei naar andere hoogten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Endemisch voor het gidsgebied. Aan de Caribische helling van Honduras, Nicaragua en Costa Rica, en in Panama aan de Caribische helling oostwaarts tot Coclé en Colón, plaatselijk ook aan de Pacifische kant in Veraguas.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Costa Rica in de Caribische voetheuvels, bijvoorbeeld bij Turrialba en rond de Arenal-vulkaan, bij bloeiende struiken aan de bosrand en bij lodges met tuinen met Stachytarpheta en andere kleine bloemen. De witte kruin valt in de schaduw al van ver op.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Plaatselijk vrij algemeen, maar onregelmatig, en op veel plaatsen schaars. Het verspreidingsgebied is klein en afhankelijk van voetheuvelbos, dat op veel plaatsen is gekapt.

Wetenschappelijke naam

Microchera albocoronata | (Lawrence, 1855)

Lawrence beschreef de soort in 1855 als Mellisuga albo-coronata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Microchera werd in 1858 ingevoerd door Gould. Microchera is Grieks, van mikros 'klein' en khēra 'weduwe' (dus in de rouw, in het zwart), naar het kleine, zeer donkere mannetje. albocoronata is Latijn, van albus 'wit' en coronatus 'gekroond', naar de witte kruin van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Belén, Veraguas, Panama.