Alle soorten › Duikers › Duikers › Roodkeelduiker
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Keerkringvogels en watervogels Phaethoquornithes › Water- en moerasvogels Aequornithes
Roodkeelduiker | Gavia stellata
Red-throated Loon | Colimbo chico
De roodkeelduiker is de kleinste en slankste duiker. Hij broedt op kleine meren in de arctische en boreale zone en overwintert op zee, vaak dicht onder de kust. Het gidsgebied ligt aan de zuidrand van het winterareaal: de soort is een schaarse wintergast in het noordwesten van Mexico, en de meeste vogels dragen hier het grijs-witte winterkleed.
Geluid
In de winter vrijwel stil. Op de broedplaats een kakelend, ganzenachtig kak-kak-kak in de vlucht en klagende, jammerende roepen.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
53–69 cm. Een slanke duiker met een dunne, iets opgewipte snavel die vaak schuin omhoog wordt gehouden, een kleine, ronde kop en een dunne hals. In het winterkleed is de bovenzijde grijsbruin met fijne witte stippels, en zijn gezicht, voorhals en onderdelen helder wit; het wit omsluit het oog en loopt hoog op langs de halszijde. In het broedkleed zijn kop en halszijden grijs, de achterhals fijn zwart-wit gestreept en de keel donker roodbruin, terwijl de rug ongevlekt grijsbruin is. Jonge vogels zijn vuiler grijs aan kop en hals. Vliegt met snelle, diepe vleugelslagen, de kop iets lager dan het lichaam.
Verwarringssoorten
De pacifische parelduiker Gavia pacifica heeft een rechte snavel die horizontaal wordt gehouden, een donkerder, scherp afgegrensde achterhals, een donker oog in het zwart en in het winterkleed een donkere, ongestippelde rug en vaak een dunne kinband. De ijsduiker Gavia immer is veel groter, met een zware snavel en een hoekige kop. Futen, zoals de zwanenhalsfuut Aechmophorus occidentalis, hebben een langere, dunnere hals, en de kuifduiker Podiceps auritus is veel kleiner, met een kort snaveltje.
Leefgebied
Ondiepe kustwateren, baaien, lagunes en riviermondingen, vaak dicht onder de branding; zelden op binnenwater. Duikt naar kleine vissen. In de winter meestal alleen of in kleine, losse groepjes.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Vooral langs de Pacifische kust van het noorden van Baja California en in het noorden van de Golf van Californië, langs de kust van Baja California en Sonora. Verder zuidelijk langs Baja California Sur zeldzaam, met losse gevallen tot Nayarit en een enkele in het binnenland. Buiten het gidsgebied broedt de soort rond de noordpool, in Alaska, Canada, Groenland, Noord-Europa en Siberië, en overwintert zij langs de kusten van het noorden van de Stille en Atlantische Oceaan.
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Zeewaarnemingen vanaf de kust van het noorden van Baja California in de winter bieden de meeste kans, vooral in baaien en lagunes. De omhooggehouden, dunne snavel en het witte gezicht met de gestippelde rug zijn ook op afstand goede kenmerken.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. In delen van het areaal zijn de aantallen afgenomen; bedreigingen zijn bijvangst in staande netten, olievervuiling en verstoring van ondiepe kustwateren, onder meer door windparken op zee. In het gidsgebied een schaarse wintergast.
Wetenschappelijke naam
Gavia stellata | (Pontoppidan, 1763)
Pontoppidan beschreef de soort in 1763 als Colymbus Stellatus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Gavia werd in 1788 ingevoerd door Forster. Gavia is het Latijnse woord voor een niet nader bepaalde zeevogel. stellata is Latijn voor 'met sterren bezet', naar de fijne witte spikkels op de rug in winterkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de rivier de Tame in Engeland.

