Alle soorten › Zangvogels › IJsgorzen en sneeuwgorzen › Roodhalsgors

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Roodhalsgors | Calcarius ornatus

Chestnut-collared Longspur | Escribano collar castaño

De roodhalsgors is de kleinste ijsgors, een broedvogel van de gemengde prairies van Noord-Amerika. Het mannetje in zomerkleed heeft een zwarte buik en een roodbruine nek. In het gidsgebied is hij een wintergast op de graslanden van het noorden van Mexico, waar een groot deel van de wereldpopulatie overwintert.

Roodhalsgors (Calcarius ornatus)
Foto: Cephas — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de vlucht een kenmerkend, rollend kiddel-kiddel, vaak in groepen te horen. De zang, op het broedgebied, is een korte, heldere en kwetterende strofe.

Luister: ZangXC373364

Opname: Matt Wistrand — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13–15 cm. Klein, met een vrij kleine, spitse snavel. In winterkleed vaal okerbruin met fijne strepen, een lichte, weinig getekende kop en lichte onderdelen; mannetjes tonen vaak al sporen van een roodbruine nek en een donkere buik. De staart is wit met een donkere driehoek aan de punt, die vooral bij de landing en in de vlucht opvalt. Het mannetje in zomerkleed heeft een zwarte kruin, een zwart-wit gezichtspatroon, een gele keel, een roodbruine nek en een zwarte borst en buik.

Verwarrings­soorten

De McCowns ijsgors Rhynchophanes mccownii is groter, heeft een dikkere snavel en een staart met een zwarte omgekeerde T. De ijsgors Calcarius lapponicus heeft een donkere staart met wit op de buitenste pennen en een roodbruine vleugelvlek. De avondgors Pooecetes gramineus en de sprinkhaangors Ammodramus savannarum hebben weinig of geen wit in het midden van de staart.

Leefgebied

In de winter hoogvlaktegrasland met middelhoog gras, halfwoestijngrasland, weiden en braakliggende akkers. Zoekt in groepen, soms honderden vogels, op de grond naar zaden, vaak samen met andere graslandvogels. Mijdt zeer kale grond meer dan de McCowns ijsgors.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Broedt in de gemengde en kortgrasprairies van het zuiden van Canada en het noorden van de Great Plains in de Verenigde Staten. Overwintert in het zuiden van de Great Plains, het zuidwesten van de Verenigde Staten en het noorden van Mexico, vooral op de graslanden van Chihuahua, Durango, Coahuila en Zacatecas, schaarser in Sonora, Nuevo León en zuidelijker tot San Luis Potosí.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Te zoeken op de graslanden van de Chihuahuawoestijn, bijvoorbeeld rond Janos in Chihuahua; opvliegende groepen verraden zich door de rollende roep en het staartpatroon.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar (VU). De wereldpopulatie is in enkele decennia sterk afgenomen door de omzetting van prairie in akkerland, zowel in de broedgebieden als in de overwinteringsgebieden in het noorden van Mexico, waar de graslanden snel verdwijnen.

Wetenschappelijke naam

Calcarius ornatus | (Townsend, 1837)

Townsend beschreef de soort in 1837 als Plectrophanes ornata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calcarius werd in 1802 ingevoerd door Bechstein. Calcarius komt van het Latijnse calcaria 'sporen', naar de lange nagel aan de achterteen. ornatus is Latijn voor 'versierd', naar het bonte zomerkleed van het mannetje met kastanjebruine nek. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Platte River, West-Nebraska (VS).