Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Kolibries › Paarskeelboself

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Nachtzwaluwen en gierzwaluwen Strisores

Paarskeelboself | Philodice mitchellii

Purple-throated Woodstar | Estrellita gorgipúrpura

De paarskeelboself is een kleine kolibrie van de Andes van Colombia en Ecuador, die in het gidsgebied alleen in de bergen van Darién in het oosten van Panama voorkomt. De soort werd vroeger met de costaricaanse boself in het geslacht Calliphlox geplaatst; de twee soorten overlappen in Panama niet. Een boself vliegt traag en zoemend als een bij en zit vaak hoog op kale twijgjes.

Paarskeelboself (Philodice mitchellii)
Foto: Alejandro Bayer Tamayo from Armenia, Colombia — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een droog, zacht tsit of tsjip; de vleugels geven in de vlucht een laag, bijachtig gezoem.

Luister: RoepXC11226

Opname: Nick Athanas — CC BY-NC-SA 3.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

7–8 cm, met een korte, rechte zwarte snavel. Beide geslachten hebben een witte vlek achter het oog en een witte vlek aan weerszijden van de stuit. Het mannetje is donker bronsgroen op de bovendelen, met een glanzende paarse keel, een witte band onder de keel, donkergroene onderdelen met roestbruin op de flanken en een gevorkte, donkere staart. Het vrouwtje heeft een witachtige keel met donkere stippen, een lichte borstband, kaneelkleurige buik en flanken en een afgeronde staart met roestbruine basis, een zwarte band en roestbruine toppen.

Verwarrings­soorten

De costaricaanse boself Philodice bryantae komt alleen in het westen van Panama en in Costa Rica voor, is iets groter en heeft bij het mannetje een magentarode keel en een langere staart. Het vrouwtje van de vuurkuifkoketkolibrie Lophornis delattrei heeft een roestbruin voorhoofd en een lichte band dwars over de stuit in plaats van twee witte vlekken. Vrouwtjes van andere kleine kolibries in Darién missen de witte stuitvlekken.

Leefgebied

Randen van vochtig heuvel- en bergbos, open plekken, struweel en bloemrijke tuinen, in Darién vooral op de hellingen van de bergen. Foerageert van de onderlaag tot in de kronen bij kleine bloemen en zit vaak lang op een uitkijkpost hoog in een boom.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

In het gidsgebied alleen in de bergen van Darién in het oosten van Panama, zoals Cerro Pirre en Cerro Tacarcuna; daar schaars en plaatselijk. Het grootste deel van de wereldstand leeft buiten het gidsgebied, op de hellingen van de Andes van Colombia en Ecuador.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In het gidsgebied wordt hij zelden gezien; de beste kans is op bloeiende bomen en struiken langs bosranden en open plekken in de bergen van Darién. Let op een kleine kolibrie die langzaam en zoemend vliegt en op een kaal twijgje terugkeert.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Het verspreidingsgebied in de Andes is groot. In Panama is de soort zeldzaam en slechts van enkele plekken bekend.

Wetenschappelijke naam

Philodice mitchellii | (Bourcier, 1847) (GBIF: Calliphlox mitchellii)

Bourcier beschreef de soort in 1847 als Trochilus Mitchellii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Philodice werd in 1866 ingevoerd door Mulsant, Verreaux & Verreaux. Philodice verwijst naar Philodice uit de Griekse mythologie, dochter van Inachos en vrouw van Leukippos. mitchellii eert de Engelse zoöloog en tekenaar David William Mitchell (1813–1859), secretaris van de Zoological Society of London. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zimapán, Mexico (volgens de beschrijving).