Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Nashvillezanger
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae
Nashvillezanger | Leiothlypis ruficapilla
Nashville Warbler | Reinita de Nashville
De nashvillezanger is een kleine zanger met een grijze kop, een volledige witte oogring en gele onderdelen. Hij broedt in Canada en het noorden en westen van de Verenigde Staten en overwintert grotendeels in Mexico, van het laagland tot de bergen. Daar is hij een van de gewoonste wintergasten onder de zangers.
Geluid
De zang bestaat uit twee delen: een reeks hoge tweelettergrepige tonen gevolgd door een snelle, lagere triller, sie-wiet sie-wiet sie-wiet tititititi. De roep is een scherp, metaalachtig tsik.
Opname: Ray Cooke — CC BY-NC 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
11–12 cm. Kop grijs met een scherpe, volledige witte oogring; een roodbruine kruinvlek is meestal verborgen. Rug, vleugels en staart olijfgroen, zonder vleugelstrepen. Keel, borst en onderstaartdekveren geel; tussen de poten een witachtige vlek. Het vrouwtje en jonge vogels zijn doffer, met een grijsbruinere kop en een vaalgele keel. Vogels uit het westen hebben een geelgroenere stuit en bewegen de staart vaker.
Verwarringssoorten
De virginiazanger Leiothlypis virginiae heeft dezelfde oogring, maar is grijs met alleen een gele borstvlek, een geelgroene stuit en gele onderstaartdekveren. De rouwkopzanger Geothlypis tolmiei en de grijskopzanger Geothlypis philadelphia zijn groter, met een grijze kap tot op de borst. De oranjekruinzanger Leiothlypis celata is valer, met een donkere oogstreep en vage borststreepjes.
Leefgebied
In de winter een breed scala aan begroeiing: pijn-eikenbos en eikenbos, droogbos, struikgewas, bosranden, oeverbos, tuinen en parken, van zeeniveau tot ongeveer 3000 m. Zoekt in het blad van de lage en middelste lagen naar insecten, vaak in gemengde groepen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Broedt in het zuiden van Canada, het noordoosten van de Verenigde Staten en het westen van de Verenigde Staten. Trekt door het noorden van Mexico. Overwintert van het zuiden van Texas door het grootste deel van Mexico tot Guatemala, in klein aantal tot El Salvador en Honduras; verder zuidelijk zeldzaam.
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de winter vaak de eerste zanger in gemengde groepen in pijn-eikenbos van de Mexicaanse bergen, en algemeen in tuinen rond steden als Oaxaca. De volledige witte oogring is het beste kenmerk.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). Wijdverbreid en algemeen; de aantallen zijn vrij stabiel.
Wetenschappelijke naam
Leiothlypis ruficapilla | (Wilson, 1811)
Wilson beschreef de soort in 1811 als Sylvia ruficapilla; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Leiothlypis werd in 2008 ingevoerd door Sangster. Leiothlypis is Grieks, van leios 'effen, glad' en thlypis, bij Aristoteles de naam van een onbekend klein vogeltje. ruficapilla is Latijn, van rufus 'rood' en capillus 'hoofdhaar', naar de roestbruine kruinvlek. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit bij Nashville, Tennessee (VS).





