Alle soorten › Steltloperachtigen › Jagers › Kleine jager
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae
Kleine jager | Stercorarius parasiticus
Parasitic Jaeger | Págalo parásito
De kleine jager is een slanke, valkachtige zeevogel die een groot deel van zijn voedsel bemachtigt door sterns en meeuwen te achtervolgen tot ze hun vangst laten vallen. Hij broedt op de arctische toendra en is in het gidsgebied een doortrekker en wintergast, die vaker dan de andere jagers dicht onder de kust te zien is. Er komen een lichte en een donkere kleurvorm voor.
Geluid
Op zee vrijwel altijd stil. In het broedgebied een nasaal, miauwend ie-èh en een scherp kek-kek bij verstoring.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
41–46 cm zonder de verlengde staartpennen; bij volwassen vogels steken de twee spitse middelste staartpennen nog 5 tot 10 cm voorbij de staart uit. Slank, met smalle, spitse vleugels en een snelle, wendbare vlucht. De lichte vorm heeft een donkere pet, gelige wangen, een witte onderzijde en vaak een vage grijsbruine borstband; de donkere vorm is egaal roetbruin. Beide vormen tonen een witte vlek aan de basis van de handpennen, gevormd door drie tot vijf witte schachten. In het winterkleed zijn pet en wangen vager en zijn stuit en flanken gebandeerd. Jonge vogels zijn warm roodbruin tot donkerbruin en fijn gebandeerd, met korte, spitse middelste staartpennen.
Verwarringssoorten
De middelste jager Stercorarius pomarinus is zwaarder, met bredere vleugels, een dikkere snavel, een tragere slag en bij volwassen vogels gedraaide, lepelvormige middelste staartpennen. De kleinste jager Stercorarius longicaudus is slanker en kouder grijs van boven, mist meestal de borstband, toont maar twee witte schachten in de vleugel en heeft bij volwassen vogels zeer lange, dunne staartpennen. Donkere jonge meeuwen, zoals de jonge lachmeeuw Leucophaeus atricilla, hebben een bredere vleugel zonder witte handpenvlek en vliegen minder snel en wendbaar.
Leefgebied
Buiten de broedtijd op zee, zowel boven het continentaal plat als dicht onder de kust, in baaien, lagunes en havenmondingen waar sterns en meeuwen vissen. Achtervolgt die vogels in een snelle, draaiende vlucht tot ze hun buit loslaten; eet ook zelf gevangen vis en visafval achter schepen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Langs beide kusten van het hele gidsgebied, van Baja California en de Golf van Californië tot Panama, en aan de kant van de Golf van Mexico en de Caraïbische Zee. Het talrijkst tijdens de trek in het voor- en najaar; een deel blijft de winter over. Buiten het gidsgebied broedt de soort rond de hele noordpool, op de toendra van Alaska, Canada, Groenland, Scandinavië en Siberië, en overwintert zij op zee tot ver op het zuidelijk halfrond, onder meer voor Zuid-Amerika, Afrika en Australië.
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Groepen vissende sterns boven een baai of een havenmonding zijn de beste plek om te zoeken: een donkere vogel die plotseling uit het niets opduikt en één stern met scherpe wendingen achtervolgt, is meestal deze soort.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De wereldpopulatie is groot. In het noordoosten van de Atlantische Oceaan zijn de aantallen afgenomen, samen met de kolonies sterns en drieteenmeeuwen waarvan de soort afhankelijk is; voor Noord-Amerika ontbreken betrouwbare tellingen.
Wetenschappelijke naam
Stercorarius parasiticus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Larus parasiticus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Stercorarius werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Stercorarius is Latijn voor 'van de mest', van stercus 'mest': het voedsel dat opgejaagde zeevogels uitbraakten werd vroeger voor uitwerpselen aangezien. parasiticus is Latijn voor 'parasitair', naar de gewoonte andere zeevogels hun vangst afhandig te maken. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Zweedse kust.


