Alle soorten › Ooievaarachtigen › Ooievaars › Kaalkopooievaar
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Keerkringvogels en watervogels Phaethoquornithes › Water- en moerasvogels Aequornithes
Kaalkopooievaar | Mycteria americana
Wood Stork | Cigüeña americana
De kaalkopooievaar is de algemeenste ooievaar van het gidsgebied: een grote, witte moerasvogel met een kale, grijze kop en een zware, licht gebogen snavel. Hij zoekt voedsel op de tast, met de half geopende snavel in ondiep water, en is daardoor afhankelijk van plassen die in de droge tijd slinken en waarin vis zich concentreert. In het gidsgebied broedt hij in kolonies in het laagland van Mexico tot Panama.
Geluid
Volwassen vogels zijn vrijwel stil; in de kolonie snavelklepperen en sissen ze. Jongen op het nest laten een aanhoudend, luid bedelend nyah-nyah horen.
Opname: Sue Riffe — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
83–115 cm, met lange poten en een spanwijdte van rond anderhalve meter. Het verenkleed is wit, met zwarte slagpennen en een zwarte staart, die in vlucht een brede zwarte achterrand aan de vleugel vormen. Kop en bovenhals zijn kaal, grijs en geschubd van structuur; de snavel is dik aan de basis, donker hoornkleurig en naar de punt licht omlaag gebogen. De poten zijn zwart met roze voeten. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk. Jonge vogels hebben een bruingrijze, deels bevederde hals en kop en een gele snavel. Vliegt met gestrekte hals en uitgestoken poten, vaak hoog zwevend op thermiek, soms in groepen.
Verwarringssoorten
De jabiroe Jabiru mycteria is veel groter, met een geheel witte vleugel, een zwarte kale kop en hals met een rode band en een zware, licht opgewipte snavel. De witte ibis Eudocimus albus is veel kleiner, met een rode, sterker gebogen snavel en alleen zwarte vleugelpunten. De grote zilverreiger Ardea alba is geheel wit, met een gele, rechte snavel, en vliegt met ingetrokken hals. De Amerikaanse witte pelikaan Pelecanus erythrorhynchos heeft eveneens zwarte slagpennen, maar is zwaarder, met korte poten en een lange, platte snavel. Hoog zwevend kan de ooievaar aan de koningsgier Sarcoramphus papa doen denken, die een vergelijkbaar zwart-wit vleugelpatroon heeft maar een korte hals, een korte staart en geen uitstekende poten.
Leefgebied
Zoetwater- en brakke moerassen, overstroomde savannes, ondiepe lagunes, mangrove, rijstvelden, visvijvers en de randen van meren, vooral in het laagland. Foerageert waar ondiep water vis bevat, vaak in groepjes, lopend met de snavel in het water en soms roerend met een voet. Broedt in kolonies in bomen in of bij water, vaak in mangrove of op eilandjes in moerassen, meestal in de droge tijd, wanneer de plassen slinken.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
In Mexico in het laagland aan beide kusten, met broedkolonies onder meer in Tabasco, Campeche, Yucatán en Chiapas; buiten de broedtijd zwerven vogels noordwaarts langs de Pacifische kust tot Sinaloa en Sonora en langs de Golfkust tot Tamaulipas. Verder in het laagland van heel Midden-Amerika, van Belize en Guatemala tot Panama, met grote aantallen in de moerassen van Belize, de Mosquitia en Guanacaste. Buiten het gidsgebied in het zuidoosten van de Verenigde Staten, op Cuba en in Zuid-Amerika tot het noorden van Argentinië.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Goede plekken zijn de Pantanos de Centla in Tabasco, La Encrucijada in Chiapas, Crooked Tree in Belize en Palo Verde in Costa Rica, waar in de droge tijd honderden vogels bij de slinkende plassen kunnen staan. In de middag zweven groepen vaak hoog op thermiek.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. In het gidsgebied plaatselijk algemeen, maar afhankelijk van grote moerasgebieden. Bedreigingen zijn het droogleggen van moerassen, veranderingen in de waterhuishouding die het opdrogen van plassen verstoren, het kappen van broedbomen en verstoring van kolonies.
Wetenschappelijke naam
Mycteria americana | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Mycteria voerde hij in datzelfde werk in. Mycteria komt van het Griekse muktēr, 'snuit, neus' — naar de grote, zware snavel. americana betekent 'Amerikaans'; Linnaeus beschreef de soort naar Marcgraves beschrijving uit Brazilië. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Brazilië.





