Alle soorten › Zangvogels › Tangaren › Grote cubavink

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Grote cubavink | Tiaris olivaceus

Yellow-faced Grassquit | Semillero oliváceo

De grote cubavink is een klein zaadetertje van grasland en ruige bermen met een gele wenkbrauwstreep en gele keel. Ondanks de naam komt de soort niet alleen op Cuba voor, maar ook op het vasteland van Mexico en Midden-Amerika, waar hij algemeen is in open, grazig terrein van laagland tot hooggebergte.

Grote cubavink (Tiaris olivaceus)
Foto: Alejandro Bayer Tamayo from Armenia, Colombia — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een dunne, hoge, insectachtige triller, zoals tititititi, vaak meermaals herhaald vanaf een lage zitplaats. De roep is een zacht, hoog tsip.

Luister: ZangXC994774

Opname: FREDERIC Lionel — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

10–11 cm. Korte, spitse, kegelvormige zwarte snavel. Het mannetje is van boven olijfgroen, met een helder gele wenkbrauwstreep, een gele keel en een gele vlek onder het oog; voorhoofd, teugels en borst zijn zwart en de rest van de onderdelen grijsachtig olijf. Het vrouwtje is egaal olijfgrijs met een vage gelige wenkbrauwstreep en keel en een lichtere snavelbasis. Jonge vogels lijken op het vrouwtje, met nog minder geel.

Verwarrings­soorten

Het mannetje van het geelbuikdikbekje Sporophila nigricollis heeft een geheel zwarte kop zonder geel en een dikke, ronde, lichte snavel. Vrouwtjes van dikbekjes zoals het Morelets dikbekje Sporophila morelleti en het noordelijk bont dikbekje Sporophila corvina hebben een dikkere, rondere snavel en geen spoor van een gele wenkbrauwstreep. Het vrouwtje van de jacarinagors Volatinia jacarina is bruiner en gestreept op de borst.

Leefgebied

Ruige graslanden, weiland met struiken, wegbermen, akkerranden, bosranden, open plekken in pijn-eikenbos en tuinen, van zeeniveau tot ongeveer 2300 m. Leeft in paren of kleine groepen, vaak met andere zaadeters; zoekt laag in het gras naar zaden.

Verspreiding en trek

Op het vasteland van het noordoosten van Mexico naar het zuiden langs de Caribische kant en in de hooglanden van het zuiden van Mexico, door heel Midden-Amerika tot Panama, aan beide kanten van de bergen. Daarbuiten in het noordwesten van Zuid-Amerika en op de Grote Antillen, waaronder Cuba.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het zingende mannetje met de gele wenkbrauwstreep is langs grazige bermen en in weilanden in de hooglanden het vaakst te vinden. Vrouwtjes zijn te herkennen aan de spitse snavel en het vage gele gezichtspatroon.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Algemeen en wijdverspreid; profiteert van de aanleg van weiland en open terrein.

Wetenschappelijke naam

Tiaris olivaceus | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Emberiza olivacea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tiaris werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Tiaris is Grieks, van tiaris of tiara 'tiara, hoofdtooi', naar de gekleurde tekening op de kop. olivaceus is Nieuwlatijn voor 'olijfgroen', naar de olijfgroene bovendelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Hispaniola.