Alle soorten › Pelikaanachtigen › Ibissen en lepelaars › Groene ibis

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Keerkringvogels en watervogels Phaethoquornithes › Water- en moerasvogels Aequornithes

Groene ibis | Mesembrinibis cayennensis

Green Ibis | Ibis verde

De groene ibis is een gedrongen, donkere ibis van beboste moerassen en rivieroevers in het vochtige laagland. In het gidsgebied leeft hij in het zuidoosten, van Honduras tot Panama. Hij is het vaakst te horen in de schemering, wanneer hij een luide, rollende roep laat horen.

Groene ibis (Mesembrinibis cayennensis)
Foto: Bernard DUPONT from FRANCE — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luide, rollende, ver dragende roep, zoals klu-klu-klu-klu of korokoro, vooral bij zonsopgang en in de schemering, ook in vlucht en vanaf de slaapplaats. Daarnaast zachtere, keelachtige geluiden.

Luister: ZangXC956059

Opname: JAYRSON ARAUJO DE OLIVEIRA — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

48–58 cm. Een vrij kleine, compacte ibis met korte poten, een brede, afgeronde staart en een middellange, gebogen snavel. Het verenkleed lijkt van afstand zwart, maar heeft bij goed licht een donkergroene tot bronzen glans, met een sterker groenglanzende, wat rafelige achterhals. De kale gezichtshuid is blauwgrijs, de snavel groenachtig tot grijsgroen, de korte poten zijn groengrijs. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk; jonge vogels zijn doffer. Vliegt met gestrekte hals en stijve, ondiepe slagen afgewisseld door korte glijvluchten, meestal laag tussen de bomen.

Verwarrings­soorten

De zwarte ibis Plegadis falcinellus is slanker, met langere poten en hals, een kastanjebruine tint op lichaam en schouders en een langere snavel; hij leeft in open moerassen en vliegt vaak in groepen. Jonge witte ibissen Eudocimus albus hebben een witte buik en stuit. De koerlan Aramus guarauna is groter, bruin met witte vlekken en heeft langere poten. Jonge rosse tijgerroerdompen Tigrisoma lineatum zijn bruin en geel gebandeerd en hebben een rechte snavel.

Leefgebied

Moerasbos, overstromingsbos, beboste oevers van rivieren, beken, meren en oxbows, palmmoerassen en natte open plekken in vochtig laaglandbos; ook bij poelen in weilanden aan de bosrand. Foerageert alleen, in paren of kleine groepjes in modder en ondiep water op ongewervelden. Overdag rust hij vaak in bomen. Het nest is een platform van takken in een boom, meestal boven water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Vooral aan de Caribische kant: van het oosten van Honduras via Nicaragua en de noordelijke en Caribische laaglanden van Costa Rica tot Panama, waar hij ook in het oosten aan de Pacifische kant voorkomt, onder meer in Darién. Zeldzaam tot schaars en plaatselijk, maar sinds het einde van de twintigste eeuw uitgebreid. Buiten het gidsgebied in het noorden en midden van Zuid-Amerika, ten oosten van de Andes tot in het noordoosten van Argentinië, en aan de Pacifische kant van Colombia.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Costa Rica bij Caño Negro, langs de rivieren van de Sarapiquí en bij Tortuguero, vaak vanaf een boot; in het oosten van Panama, zoals rond het Bayanomeer en in Darién. De luide roep in de schemering verraadt de vogels vaak eerder dan ze te zien zijn. Overdag zitten ze soms stil in een boom aan de oever.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In het gidsgebied schaars en plaatselijk, maar in de laatste decennia noordwaarts uitgebreid. De soort hangt af van beboste moerassen en oevers en lijdt plaatselijk onder ontbossing en ontwatering.

Wetenschappelijke naam

Mesembrinibis cayennensis | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Tantalus cayennensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Mesembrinibis werd in 1930 ingevoerd door Peters. Mesembrinibis is Grieks, van mesēmbrinos 'zuidelijk' (letterlijk 'van de middag') en ibis: 'zuidelijke ibis'. cayennensis verwijst naar Cayenne in Frans-Guyana, de typelocatie. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cayenne, Frans-Guyana.