Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Goudkruingors

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Goudkruingors | Zonotrichia atricapilla

Golden-crowned Sparrow | Gorrión corona dorada

De goudkruingors is een grote, bruingrijze gors met een gele voorkruin. Hij broedt in Alaska en het westen van Canada en overwintert langs de Pacifische kust van Noord-Amerika. In het gidsgebied komt hij vooral in de winter voor in het noorden van Baja California.

Goudkruingors (Zonotrichia atricapilla)
Foto: VJAnderson — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang bestaat uit drie of vier fluitende, dalende noten in mineur, als ie-oe-ie; in het late voorjaar ook in het winterverblijf te horen. De roep is een vlak, scherp tsjip en een fijn tsiet.

Luister: ZangXC1173335

Opname: Anne McCormack — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

15–18 cm. Groot, met een vrij lange staart en een grijze tot hoornkleurige snavel. Adulte vogels in broedkleed hebben een zwarte kap met een heldergele voorkruin die naar achteren in grijs overgaat. In de winter is het zwart van de kop bruiner en minder uitgebreid en is het geel kleiner en doffer; jonge vogels hebben een bruine kruin met slechts een vage gele zweem voorop. Gezicht en onderdelen grijs tot bruingrijs, flanken bruinig. Rug bruin met donkere strepen, twee smalle witte vleugelstrepen.

Verwarrings­soorten

De witkruingors Zonotrichia leucophrys heeft een zwart-wit gestreepte kop (bij jonge vogels bruin en okerkleurig), een roze tot gele snavel en geen geel op de kruin. De witkeelgors Zonotrichia albicollis heeft een scherp afgetekende witte keel en een gele vlek voor het oog. De vossegors Passerella iliaca heeft een zwaar gevlekte borst.

Leefgebied

In de winter chaparral, kustsaliestruweel, dichte struiken langs akkers en beken, tuinen en parken. Leeft in groepen, vaak samen met witkruingorzen, en zoekt zaden, knoppen en jonge scheuten op de grond en in lage struiken, nooit ver van dekking.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Broedt in Alaska en het westen van Canada, in struikgewas aan de boomgrens. Overwintert langs de Pacifische kust van het zuiden van Brits-Columbia tot het noorden van Baja California. In het gidsgebied vooral in het noordwesten van Baja California; zuidelijker in Baja California en in Sonora schaars of onregelmatig.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter het best te vinden door in het noordwesten van Baja California groepen witkruingorzen langs struikranden en in tuinen te bekijken; de goudkruingors valt op door de grotere, bruinere kop zonder witte strepen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Algemeen in het westen van Noord-Amerika; in het gidsgebied beperkt tot het noordwesten als wintergast.

Wetenschappelijke naam

Zonotrichia atricapilla | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Emberiza atricapilla; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Zonotrichia werd in 1832 ingevoerd door Swainson. Zonotrichia is Grieks, van zōnē 'band' en thrix 'haar'. atricapilla is Latijn, van ater 'zwart' en -capillus '-gekapt', naar de zwarte randen van de gouden kruin. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Prince William Sound, Alaska.