Alle soorten › Zangvogels › Tangaren › Gewone saffraangors

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Gewone saffraangors | Sicalis flaveola

Saffron Finch | Chirigüe azafranado

De gewone saffraangors is een gedrongen, heldergele gors-achtige tangare van open terrein met verspreide bomen, gazons en dorpen. Hij zoekt in groepjes op de grond naar zaden. In het gidsgebied leeft hij alleen in Panama, waar de vogels waarschijnlijk van ontsnapte kooivogels afstammen, en breidt hij zich uit naar het westen.

Gewone saffraangors (Sicalis flaveola)
Foto: Evelimlamaiara — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Zang een reeks scherpe, metalige tsjilpen en korte frasen, zoals tsip tsip tsie-tsit, vaak herhaald vanaf een dak, draad of boomtop. Roep een kort, helder pink.

Luister: ZangXC1163155

Opname: Jacob Wijpkema — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

13,5–15 cm. Mannetje geheel heldergeel met een oranje voorhoofd en voorkruin; rug en schouders iets groener geel met vage donkere streepjes. Vleugels en staart donker met geelgroene randen. Korte, kegelvormige snavel, bovensnavel donker, ondersnavel lichter. Het vrouwtje lijkt op het mannetje maar is doffer, met minder oranje op de kop. Jonge vogels zijn grijsbruin met lichte, gestreepte onderdelen, een gele band over de borst en gele onderstaartdekveren; ze kleuren pas langzaam geel.

Verwarrings­soorten

De graslandsaffraangors Sicalis luteola is kleiner, heeft een duidelijk donker gestreepte rug en kruin, geen oranje op de kop en leeft in grasland en rijstvelden. Het vrouwtje van de witbandsijs Spinus psaltria is kleiner en heeft een witte vleugelvlek. Gele zangers (Setophaga) hebben een dunne, spitse snavel. Jonge saffraangorzen kunnen aan een gors of dikbekje doen denken, maar de gele borstband en gele onderstaartdekveren wijzen de soort aan.

Leefgebied

Open en halfopen terrein in het laagland: grasland en weiland met verspreide bomen, akkerranden, gazons, sportvelden, parken, erven en dorpen, vooral in drogere streken. Zoekt in groepjes op de grond naar zaden, ook naar kleine insecten. Nestelt in holten: onder dakpannen, in muurgaten, boomholten en oude nesten van andere vogels.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

In het gidsgebied alleen in Panama, vooral in het laagland aan de Pacifische kant van de omgeving van Panama-Stad tot het schiereiland Azuero en verder westwaarts in Chiriquí; er zijn waarnemingen tot vlak bij de grens met Costa Rica. Buiten het gidsgebied van nature in een groot deel van Zuid-Amerika, van Colombia en Venezuela tot het noorden van Argentinië; ingevoerd op Jamaica, Puerto Rico en Hawaï.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Geregeld te zien op gazons, sportvelden en in dorpen rond Panama-Stad en in het droge laagland van het schiereiland Azuero. Groepjes zitten vaak op de grond onder bomen of op daken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Algemeen en in Panama in opmars. In Zuid-Amerika wordt de soort veel als kooivogel gevangen.

Wetenschappelijke naam

Sicalis flaveola | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Fringilla flaveola; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Sicalis werd in 1828 ingevoerd door Boie. Sicalis komt van het Griekse sikalis, een klein vogeltje met een zwarte kop dat Aristoteles en Epicharmus noemen, mogelijk een grasmus. flaveola is een verkleinwoord van het Latijnse flavus 'goudgeel', naar het felgele verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Suriname (later aangewezen).