Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Geelkruinkwak

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Keerkringvogels en watervogels Phaethoquornithes › Water- en moerasvogels Aequornithes

Geelkruinkwak | Nyctanassa violacea

Yellow-crowned Night-Heron | Martinete coronado

De geelkruinkwak is een gedrongen nachtreiger met een zwart-witte kop, een blauwgrijs verenkleed en een zware zwarte snavel. Hij eet vooral krabben en jaagt zowel overdag als 's nachts. In het gidsgebied is hij een standvogel van mangrove en kusten van Mexico tot Panama, in de winter aangevuld met vogels uit Noord-Amerika.

Geelkruinkwak (Nyctanassa violacea)
Foto: Tomascastelazo — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een kort, scherp kwak of kok, iets hoger dan bij de kwak; vooral bij het opvliegen en 's nachts te horen.

Luister: ZangXC1176302

Opname: José María Loaiza B. — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

55–70 cm. Een gedrongen reiger met een korte, dikke hals, een zware zwarte snavel en vrij lange poten. Volwassen vogels zijn blauwgrijs, met donkere veren met lichte randen op rug en vleugels. De kop is zwart met een witte wangvlek en een witte tot lichtgele kruin, die doorloopt in korte nekpluimen. Het oog is oranjerood, de poten zijn geel en in de broedtijd soms oranjerood. Jonge vogels zijn grijsbruin, met fijne witte stippen op de bovendelen en grijsbruin gestreepte onderdelen; het volwassen kleed wordt pas na ongeveer drie jaar bereikt. In de vlucht steken de poten ruim voorbij de staart uit. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

Jonge kwakken Nycticorax nycticorax lijken sterk op jonge geelkruinkwakken, maar zijn warmer bruin, met grotere, druppelvormige witte vlekken op de vleugels, een dunnere snavel met een gelige basis en kortere poten, die in de vlucht nauwelijks voorbij de staart uitsteken. Volwassen kwakken hebben een zwarte kruin en mantel en lichtgrijze vleugels. De schuitbekreiger Cochlearius cochlearius heeft een zeer brede, schuitvormige snavel en grote, donkere ogen.

Leefgebied

Mangrove, getijdenslik, rotskusten, kustlagunes en riviermondingen; plaatselijk ook langs rivieren in het laagland en in parken en tuinen in kustplaatsen. Eet vooral krabben, daarnaast andere kreeftachtigen, slakken, vissen en insecten, en jaagt bij dag en bij nacht, vaak afgestemd op het tij. Broedt alleen of in kleine groepen, in mangrove of andere bomen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

In Mexico langs de Pacifische kust van Baja California en Sonora zuidelijk tot Chiapas, en langs de Golfkust van Tamaulipas over Veracruz en Tabasco tot het schiereiland Yucatán. Verder langs beide kusten en plaatselijk langs rivieren in het laagland van heel Midden-Amerika, van Belize en Guatemala tot Panama. Buiten het gidsgebied in het oosten van de Verenigde Staten, in het Caribisch gebied, op de Galápagoseilanden en langs de kusten van het noorden van Zuid-Amerika, zuidelijk tot Peru en het oosten van Brazilië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Overdag zit de soort vaak op een tak in de schaduw van mangrove langs lagunes en riviermondingen; bij laagwater jaagt hij op open slik op krabben. In kustplaatsen langs de Pacifische kust zit hij soms bij havens en in parken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In het gidsgebied vrij algemeen langs de kust, maar gevoelig voor kap van mangrove.

Wetenschappelijke naam

Nyctanassa violacea | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Ardea violacea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Nyctanassa werd in 1887 ingevoerd door Stejneger. Nyctanassa is Grieks, van nux, genitief nuktos, 'nacht' en anassa 'koningin': koningin van de nacht. violacea is Latijn voor 'violetkleurig', van violaceus. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Carolina in Noord-Amerika.