Alle soorten › Zangvogels › Tangaren › Geelbuikdikbekje

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Geelbuikdikbekje | Sporophila nigricollis

Yellow-bellied Seedeater | Semillero ventriamarillo

Het geelbuikdikbekje is een klein zaadetertje van graslanden en weiland, dat in het gidsgebied alleen in Panama en het zuiden van Costa Rica voorkomt. Het mannetje heeft een zwarte kop en borst boven een lichtgele buik; het vrouwtje is olijfbruin. De soort breidt zich met de aanleg van weiland langzaam naar het noorden uit.

Geelbuikdikbekje (Sporophila nigricollis)
Foto: Neil Orlando Diaz Martinez — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een korte, snelle reeks heldere, wat hese noten, die vaak eindigt in een zoemend bziee-bziee. De roep is een zacht tsjie.

Luister: ZangXC1101769

Opname: Marco Andrés Urvina Alejandro — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

10–11 cm. Korte, dikke, ronde snavel, licht blauwgrijs bij het mannetje, donkerder bij het vrouwtje. Het mannetje is van boven olijfgroen, met een zwarte kop, keel en bovenborst, en is van onderen lichtgeel tot geelachtig wit; er is geen of slechts een kleine witte vleugelspiegel. Het vrouwtje is van boven olijfbruin en van onderen licht okergeel, zonder vleugelstrepen.

Verwarrings­soorten

Het mannetje van de grote cubavink Tiaris olivaceus heeft een gele wenkbrauwstreep en gele keel naast het zwart en een spitsere snavel. Het mannetje van het noordelijk bont dikbekje Sporophila corvina heeft een zwarte snavel en geen olijfgroene rug; vrouwtjes van beide soorten zijn vrijwel niet te scheiden, al zijn vrouwtjes geelbuikdikbekje iets geler van onderen. Het Morelets dikbekje Sporophila morelleti heeft witte vleugelstrepen.

Leefgebied

Graslanden, weiland met struiken, ruige bermen, verwilderde akkers en open plekken met hoog gras, vooral in heuvels en voetheuvels tot ongeveer 1500 m. Leeft in paren of kleine groepen, vaak met andere dikbekjes; eet vooral graszaad.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

In het gidsgebied vooral in Panama, aan beide kanten van de bergen, en in het zuiden van Costa Rica, waar de soort sinds de late twintigste eeuw is uitgebreid. Daarbuiten van Colombia en Venezuela tot in het noorden van Argentinië en het oosten van Brazilië, en op Trinidad.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In het zuiden van Costa Rica en het westen van Panama komen de meeste waarnemingen uit weilanden en graslanden in heuvelland. De lichte snavel en de zwarte kop van het mannetje zijn de beste kenmerken in groepen van gemengde dikbekjes.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Algemeen in een groot deel van het verspreidingsgebied; profiteert van ontbossing. Wordt gevangen als kooivogel.

Wetenschappelijke naam

Sporophila nigricollis | (Vieillot, 1823)

Vieillot beschreef de soort in 1823 als Pyrrhula nigricollis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Sporophila werd in 1844 ingevoerd door Cabanis. Sporophila is Grieks, van sporos 'zaad' en philos 'liefhebber': 'zaadliefhebber'. nigricollis is Latijn, van niger 'zwart' en collum 'hals', naar de zwarte kop en keel van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Brazilië.