Alle soorten › Papegaaiachtigen › Papegaaien › Costa Ricaanse papegaai

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Costa Ricaanse papegaai | Touit costaricensis

Red-fronted Parrotlet | Cotorrita costarricense

De Costa Ricaanse papegaai is een kleine, gedrongen papegaai met een korte, rechte staart, die alleen in Costa Rica en het westen van Panama voorkomt. Hij leeft in het kronendak van vochtig bergbos en voetheuvelbos, vooral aan de Caribische kant, en trekt met de seizoenen op en neer langs de hellingen. Hij is stil en houdt zich hoog in het bladerdak op, en wordt weinig waargenomen.

Costa Ricaanse papegaai (Touit costaricensis)
Foto: Oliver Komar — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Een zacht, nasaal njee of naa en een kort, schor gekwetter, vooral in de vlucht; zittende vogels zijn meestal stil.

Luister: VluchtroepXC928018

Opname: Enrique Varela — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

15–17 cm. Groen, met een rood voorhoofd, rode teugels en een rode vlek rond het oog die tot achter het oog doorloopt. Op de voorrand van de vleugel en op de handpendekveren een rode vlek, in de vlucht goed te zien; de ondervleugeldekveren zijn geel. De korte staart is geel met een zwarte eindband, de middelste pennen groen. Het vrouwtje heeft minder rood op de vleugel. De snavel is licht geelachtig. Vliegt snel en recht, in paren of kleine, dichte groepjes.

Verwarrings­soorten

De blauwvoorhoofdpapegaai Touit dilectissimus, vooral in centraal en oostelijk Panama, heeft een blauw voorhoofd en een rode streep onder het oog in plaats van een rood voorhoofd. De catharinaparkiet Bolborhynchus lineola is fijn zwart gebandeerd en heeft een spitse staart zonder rood. De roodoorpapegaai Pyrilia haematotis is groter, met een bruine kop.

Leefgebied

Vochtig voetheuvelbos en bergregenwoud, ook nevelwoud en hoge bosranden; broedt hoger op de hellingen, globaal tussen 500 en 3000 m, en daalt na de broedtijd af naar het voetheuvelbos en soms tot in het laagland. Eet vruchten, zaden, bloemen en epifyten hoog in het kronendak. Broedt in holten, onder meer in termietennesten en epifytenkussens in bomen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Alleen in Costa Rica en het westen van Panama: de Caribische hellingen en de hooglanden van de Cordillera de Guanacaste, de Cordillera de Tilarán, de Cordillera Central en de Cordillera de Talamanca, plaatselijk ook aan de Pacifische kant (onder meer rond Monteverde); in Panama in Bocas del Toro, Chiriquí, Ngäbe-Buglé en het noorden van Veraguas. Overal schaars en onregelmatig.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Meestal te zien als een klein, snel overvliegend groepje boven het bos op de Caribische hellingen van de Costa Ricaanse bergen; het zachte nasale geluid is vaak het eerste teken. In vruchtdragende bomen en epifyten zitten ze stil en gaan ze door hun groene kleur op in het loof.

Staat van instandhouding

Gevoelig. Klein verspreidingsgebied en een kleine stand die achteruitgaat door het verlies van voetheuvelbos, waar de vogels buiten de broedtijd van afhankelijk zijn.

Wetenschappelijke naam

Touit costaricensis | (Cory, 1913)

Cory beschreef de soort in 1913 als Urochroma costaricensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Touit werd in 1855 ingevoerd door Gray. Touit komt uit het Tupi: tuí eté 'echte kleine papegaai', door Marcgrave in 1648 als 'Tuiete' opgetekend. costaricensis is Nieuwlatijn voor 'van Costa Rica', het land van herkomst van het typeexemplaar. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit bij Puerto Limón, Costa Rica.