Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Gierzwaluwen › Cayennegierzwaluw

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Nachtzwaluwen en gierzwaluwen Strisores

Cayennegierzwaluw | Panyptila cayennensis

Lesser Swallow-tailed Swift | Vencejo tijereta menor

De cayennegierzwaluw is een slanke, zwart-witte gierzwaluw van de tropische laaglanden, van het zuidoosten van Mexico tot Panama. Hij bouwt een opvallend nest: een lange, gevilte koker van plantenpluis en veren, met speeksel aan elkaar gekit en met de ingang aan de onderkant, die aan een boomstam, rotswand of muur hangt. De vogels jagen vaak hoog en alleen of in paren, minder in groepen dan de Chaetura-gierzwaluwen.

Cayennegierzwaluw (Panyptila cayennensis)
Foto: Anthony Batista — CC BY 4.0 · iNaturalist

Geluid

Een ijle, piepende reeks snelle kwetternoten en een herhaald, langgerekt pziieeh, vaak bij het nest. Vliegt vaak zo hoog dat de roep niet te horen is.

Luister: ZangXC663843

Opname: Dante Buzzetti — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13 cm. Slank, met lange, smalle vleugels en een lange, diep gevorkte staart die meestal gesloten wordt gehouden en dan als een spitse punt oogt. Het verenkleed is grotendeels zwart. De keel en bovenborst zijn wit, en dat wit loopt door als een smalle halve kraag naar de zijkant van de nek. Op de achterflanken zit aan weerszijden een witte vlek, die in vlucht tegen de zwarte onderzijde opvalt. De armpennen hebben soms een smalle witte achterrand. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De San-Geronimogierzwaluw Panyptila sanctihieronymi heeft eenzelfde patroon, maar is veel groter, met een langere staart en een tragere vlucht; hij leeft vooral in de bergen aan de Pacifische kant, van Mexico tot Nicaragua. De bonte gierzwaluw Aeronautes saxatalis van de hooglanden is groter, met een minder diep gevorkte staart en een witte streep die van de keel tot op de buik doorloopt. De witkraaggierzwaluw Streptoprocne zonaris is veel groter, met een volledige witte halsband en een korte staart. De Chaetura-gierzwaluwen zijn donker, met een korte staart en zonder wit op keel of flanken.

Leefgebied

Randen en open plekken van laaglandregenwoud, vochtig heuvelbos en secundair bos, rivierdalen, het seizoensbos van Yucatán, cultuurland met verspreide bomen en bewoonde gebieden, van zeeniveau tot ongeveer 1200 m. Jaagt meestal hoog in de lucht op vliegende insecten, soms samen met andere gierzwaluwen. Het nest, tot ruim een halve meter lang, hangt aan een grote boom, een rotswand, de onderkant van een brug of de muur van een gebouw; de eieren liggen op een richel boven in de koker.

Verspreiding en trek

In Mexico in het zuiden van Veracruz, het noorden van Oaxaca, Tabasco, Chiapas, Campeche en Quintana Roo. Verder in Belize, Guatemala, Honduras, Nicaragua, Costa Rica en Panama, vooral aan de Caribische kant, maar in Costa Rica en Panama ook aan de Pacifische kant; in El Salvador schaars. Buiten het gidsgebied van Colombia, Venezuela, Trinidad en de Guyana's tot in Ecuador, het Amazonegebied en het zuidoosten van Brazilië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Belize en in het Kanaalgebied van Panama zijn de vogels regelmatig boven bosranden en open plekken te zien. Nesten hangen soms aan gebouwen bij lodges en onder bruggen in de buurt van bos, bijvoorbeeld in het Caribische laagland van Costa Rica. Tussen groepen andere gierzwaluwen springen de witte keel en de witte flankvlekken in het oog.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied en gebruikt ook door de mens gemaakte bouwwerken als nestplaats.

Wetenschappelijke naam

Panyptila cayennensis | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Hirundo cayennensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Panyptila werd in 1847 ingevoerd door Cabanis. Panyptila is Grieks, van panu 'zeer, geheel' en ptilon 'veer': 'geheel bevederd', naar de tot op de tenen bevederde poten. cayennensis verwijst naar Cayenne in Frans-Guyana, waar de soort werd beschreven. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cayenne, Frans-Guyana.