Alle soorten › Zangvogels › Ovenvogels en muisspechten › Bruinvleugelmuisspecht

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Bruinvleugelmuisspecht | Dendrocincla anabatina

Tawny-winged Woodcreeper | Trepatroncos sepia

De bruinvleugelmuisspecht is een middelgrote, olijfbruine muisspecht met helder kaneelkleurige slagpennen die vooral in vlucht opvallen. Net als de rosse muisspecht volgt hij geregeld zwermen trekmieren. Hij komt alleen in het gidsgebied voor.

Bruinvleugelmuisspecht (Dendrocincla anabatina)
Foto: William Stephens — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een lange reeks nasale, wat scherpe tonen en een droge ratel. Bij mierenzwermen geregeld te horen.

Luister: ZangXC1085166

Opname: Paul Driver — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

17–18 cm. Kop en bovendelen olijfbruin, kruin iets donkerder; een vage lichte wenkbrauwstreep. Keel licht okerkleurig, onderdelen olijfbruin zonder streepjes. Slagpennen helder kaneel tot roodbruin met donkere punten, scherp afstekend tegen de olijfbruine rug en dekveren; staart roodbruin. Snavel recht en vrij stevig, donker hoornkleurig. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De rosse muisspecht Dendrocincla homochroa is geheel roodbruin, zonder contrast tussen lijf en vleugels. De grijswangmuisspecht Dendrocincla fuliginosa (Honduras tot Panama) heeft een grijsachtige wang, een donkere baardstreep en vleugels zonder kaneelkleurig contrast. Gestreepte muisspechten zoals de streepkopmuisspecht Lepidocolaptes souleyetii hebben een dunnere, gebogen snavel en een gestreepte kop en borst.

Leefgebied

Vochtig en halfvochtig laaglandbos en voetheuvelbos, ook seizoensbos op het schiereiland Yucatán, oud secundair bos en bosranden. Foerageert vooral in de lagere etages, vaak bij zwermen trekmieren. Nestelt in een boomholte.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Van het zuidoosten van Mexico (vanaf het zuiden van Veracruz en het noorden van Oaxaca door Tabasco, Chiapas en het schiereiland Yucatán) door Belize, Guatemala, Honduras en Nicaragua tot in het noorden van Costa Rica; daarnaast in het zuidwesten van Costa Rica en het westen van Panama. Komt alleen in het gidsgebied voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Geregeld te zien in Tikal in Guatemala en Calakmul in Mexico, vaak laag tegen een stam bij een zwerm trekmieren. Let in vlucht op de kaneelkleurige vleugels.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Plaatselijk vrij algemeen in groter bos; gevoelig voor ontbossing en versnippering.

Wetenschappelijke naam

Dendrocincla anabatina | Sclater, 1859

Sclater beschreef de soort in 1859 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Dendrocincla werd in 1840 ingevoerd door Gray. Dendrocincla is Grieks, van dendron 'boom' en kinklos, een door Aristoteles genoemde, niet nader bekende vogel die later met kwikstaarten werd verbonden. anabatina is afgeleid van Grieks anabatēs 'klimmer' met Latijn -inus 'lijkend op': 'klimmerachtig', naar het klimmen langs stammen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Omoa, Honduras.