Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Bonte zanger

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Bonte zanger | Mniotilta varia

Black-and-white Warbler | Chipe trepador

De bonte zanger is een zwart-wit gestreepte zanger die als een boomklever over stammen en dikke takken klautert. Hij broedt in loofbos en gemengd bos in Canada en het oosten van de Verenigde Staten. In het gidsgebied is hij een van de meest verbreide wintergasten onder de zangers, in bijna elk bostype van het laagland tot in de bergen.

Bonte zanger (Mniotilta varia)
Foto: Mike's Birds from Riverside, CA, US — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een hoge, piepende reeks herhaalde tweetonige motiefjes, wiesie wiesie wiesie wiesie, als een piepend wiel. Roep een droog tsik; in de vlucht een dun tsiet. In de winter vooral de roep, in het voorjaar ook zang.

Luister: ZangXC1036380

Opname: Bobby Wilcox — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

11–13 cm. Geheel zwart-wit gestreept, met een witte middenstreep over de kruin en een witte wenkbrauwstreep. Twee witte vleugelstrepen; onderstaartdekveren wit met zwarte vlekken. Het mannetje heeft in het broedkleed een zwarte keel en zwarte wangen; in de winter is de keel deels wit. Vrouwtje en jonge vogels hebben een witte keel, grijze wangen en vaak een lichte okertint op de flanken. Snavel iets langer en meer gebogen dan bij de meeste zangers.

Verwarrings­soorten

De zwartkopzanger Setophaga striata (mannetje in broedkleed, alleen op doortrek) heeft een egaal zwarte kruin zonder witte middenstreep en witte wangen, en zoekt in het gebladerte. De grijze zwartkeelzanger Setophaga nigrescens heeft een ongestreepte grijze rug en een geel vlekje voor het oog, en klautert niet over stammen.

Leefgebied

In de winter vrijwel elk type bos en bosrijk terrein: vochtig en droog laaglandbos, voetheuvelbos, nevelwoud, pijn-eikenbos, mangrove, secundair bos, schaduwkoffie en parken en tuinen met grote bomen, van zeeniveau tot boven 2000 m. Zoekt insecten en spinnen in schorsspleten en sluit zich vaak aan bij gemengde groepen.

Verspreiding en trek

Broedt van het noordwesten van Canada tot het oosten en zuidoosten van de Verenigde Staten. Overwintert van het zuiden van de Verenigde Staten door Mexico, Midden-Amerika en het Caribisch gebied tot het noorden van Zuid-Amerika. In het gidsgebied vrijwel overal, behalve in de droogste woestijngebieden van het noordwesten; op doortrek ook daar.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter vaak in gemengde groepen in bos en tuinen; te herkennen aan de vogel die over de stam en onderkant van takken kruipt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Algemeen en wijdverbreid; in het broedgebied langzaam achteruitgegaan.

Wetenschappelijke naam

Mniotilta varia | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Motacilla varia; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Mniotilta werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Mniotilta is Grieks, van mnion 'mos' en tillō 'plukken': 'mosplukker', naar het zoeken naar insecten op bemoste stammen en takken. varia is Latijn voor 'bont, gevarieerd', naar het zwart-wit gestreepte verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Hispaniola (Santo Domingo).