Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Beringmeeuw

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae

Beringmeeuw | Larus glaucescens

Glaucous-winged Gull | Gaviota ala glauca

De beringmeeuw is een grote meeuw van de noordelijke Stille Oceaan, met grijze in plaats van zwarte vleugelpunten. Ze broedt van de Beringzee tot de kust van Washington en overwintert zuidelijk tot Mexico. In het gidsgebied is ze een wintergast, vooral in het noorden van Baja California en in de Golf van Californië; het merendeel van de vogels is onvolwassen.

Beringmeeuw (Larus glaucescens)
Foto: DickDaniels (http://theworldbirds.org/) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een lage, schorre kjauw en een lange roep van lachende tonen, lager en trager dan bij de Amerikaanse zilvermeeuw.

Luister: RoepXC1165186

Opname: Rachel Thurman — CC BY 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

61–68 cm, een grote, zware meeuw met een dikke gele snavel met een rode vlek, roze poten en een donker oog. Volwassen vogels hebben een middengrijze mantel en vleugels, met grijze vleugelpunten, even donker als de mantel, met witte vlekken. In de winter zijn kop en hals vaal bruingrijs gevlekt. Jonge vogels zijn egaal lichtgrijsbruin, met handpennen en staart in dezelfde tint als de rest van het kleed, en een zwarte snavel.

Verwarrings­soorten

Bastaarden met de Pacifische mantelmeeuw Larus occidentalis zijn algemeen en hebben donkerdere vleugelpunten en vaak een donkerdere mantel; ze komen in het noordwesten van Mexico geregeld voor. De kleine burgemeester Larus glaucoides is kleiner, met een rondere kop en een kortere snavel. De Amerikaanse zilvermeeuw Larus smithsonianus heeft zwarte vleugelpunten en een licht oog; jonge vogels daarvan zijn donkerder bruin met donkere handpennen.

Leefgebied

Kustwater, stranden, rotskusten, baaien, havens en vuilnisbelten; zelden in het binnenland. Eet vis, ongewervelden, aas en afval.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

In de winter vooral langs de kust van Baja California en in het noorden van de Golf van Californië, en in kleinere aantallen langs Baja California Sur en de kust van Sonora; zuidelijker, tot Sinaloa, Nayarit, Jalisco en Colima, zeldzaam. Buiten het gidsgebied broedt de soort langs de kusten van de noordelijke Stille Oceaan, van de Commandeurseilanden en de Beringzee tot Washington, en overwintert ze langs de Pacifische kust tot Californië en Japan.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Havens en stranden bij Ensenada en in het noorden van de Golf van Californië bieden in de winter de meeste kans. De grijze vleugelpunten, even donker als de mantel, zijn bij volwassen vogels het beste kenmerk.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. De populatie is groot en vrij stabiel. In het gidsgebied een wintergast zonder broedpopulatie.

Wetenschappelijke naam

Larus glaucescens | Naumann, 1840

Naumann beschreef de soort in 1840 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Larus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Larus is Latijn, ontleend aan het Griekse laros, en sloeg bij de klassieke schrijvers op een meeuw of een andere grote zeevogel. glaucescens is Latijn voor 'grijsblauw wordend', van Grieks glaukos, naar de lichtgrijze vleugelpunten zonder zwart. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Noord-Amerika (niet nader bepaald).