Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Amerikaanse dwergsperwer

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Roofvogels, uilen, ijsvogels en spechten Afroaves › Havikachtigen en uilen Hieraves

Amerikaanse dwergsperwer | Microspizias superciliosus

Tiny Hawk | Gavilán enano

De Amerikaanse dwergsperwer is een van de kleinste roofvogels ter wereld, ongeveer zo groot als een lijster. Hij jaagt vanuit een verscholen zitplaats in het bos op kleine vogels, vooral kolibries, die hij in een snelle, korte vlucht grijpt. In het gidsgebied is hij een schaarse standvogel van het oosten van Honduras tot Panama.

Amerikaanse dwergsperwer (Microspizias superciliosus)
Foto: Félix Uribe from Rionegro, Antioquia, Colombia — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal stil. Bij het nest een hoge, snelle reeks kie-kie-kie.

Luister: ZangXC423724

Opname: Felipe Arantes — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

20–28 cm; het vrouwtje is duidelijk groter dan het mannetje. Volwassen vogels zijn leigrijs van boven met een donkerder kruin, en wit van onderen met dichte, fijne grijze dwarsbanden; de keel is wit. De vrij korte staart heeft drie of vier donkere banden. Het oog is rood bij volwassen vogels en geel tot oranje bij jonge vogels; de poten zijn geel. Jonge vogels zijn bruin of roodbruin van boven en hebben roestbruine dwarsbanden van onderen; er bestaat ook een roodbruine vorm met meer roestbruin op de onderdelen.

Verwarrings­soorten

De Amerikaanse sperwer Accipiter striatus is groter, met een langere staart en roestrode banden of een roestrode borst; in het laagland van Midden-Amerika is hij vooral een wintergast. De gestreepte bosvalk Micrastur ruficollis heeft een langere staart, een kale gele huid rond het oog en smalle witte staartbanden. De tandwouw Harpagus bidentatus is groter en heeft een donkere keelstreep.

Leefgebied

Vochtig laaglandbos en heuvelbos, ook hoog secundair bos, bosranden en open plekken in het bos, en bos langs rivieren. Jaagt vanaf een beschutte zitplaats aan de rand van een open plek, vaak bij bloeiende bomen of struiken waar kolibries op afkomen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Schaarse standvogel in de Caribische laaglanden van het oosten van Honduras (Gracias a Dios) en Nicaragua, en verder in Costa Rica, waar ook aan de Pacifische kant in het zuiden, en in Panama aan beide kanten van het land. Buiten het gidsgebied in het westen van Colombia en Ecuador en in het Amazonegebied, de Guyana’s en het oosten van Brazilië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zit vaak lange tijd onbeweeglijk bij bloeiende planten waar kolibries foerageren, zoals Heliconia aan bosranden in de Caribische laaglanden van Costa Rica en langs de Pipeline Road in Panama.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In het gidsgebied schaars en afhankelijk van groot, aaneengesloten bos.

Wetenschappelijke naam

Microspizias superciliosus | (Linnaeus, 1766) (GBIF: Accipiter superciliosus)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Falco superciliosus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Microspizias werd in 2021 ingevoerd door Sangster, Kirwan, Fuchs, Dickinson, Elliott & Gregory. Microspizias is Grieks, van mikros 'klein' en spizias 'havik': 'kleine havik'. superciliosus is Latijn voor 'met wenkbrauw', van supercilium 'wenkbrauw'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Suriname.