Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Zilverplevier
Zilverplevier | Pluvialis squatarola
Grey Plover | Chorlito gris
De zilverplevier is de grootste plevier van het gebied, een zware, grijze kustvogel met een korte, dikke snavel en grote donkere ogen. Hij broedt op de arctische toendra en is in het Caribisch gebied een wijdverbreide wintergast en doortrekker op wadplaten, zoutpannen en stranden. Meestal staat hij alleen of in kleine, losse groepen, verspreid over het slik.
Geluid
Een klagend, driedelig fluitje dat in het midden daalt en weer stijgt, zoals tlie-oe-ie, ver dragend over het wad en vaak te horen bij het opvliegen. Daarnaast een korter pluu-ie.
Opname: Thierry THOMAS — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
27–30 cm. In winterkleed grijs met fijne lichte en donkere vlekjes op de bovendelen, een vaag gestreepte grijze borst en een witte buik; de kop toont een lichte wenkbrauwstreep zonder sterk contrast. Jonge vogels zijn regelmatiger gestippeld, met een lichtgele zweem op rug en vleugel. In het voorjaar krijgen vogels die naar het noorden vertrekken het zwarte gezicht en de zwarte borst en buik van het broedkleed, met een witte rand langs kop en hals en een zilvergrijs geblokte rug. In vlucht kenmerkend: een witte vleugelstreep, een witte stuit en vooral de zwarte oksel aan de onderkant van de vleugel, in elk kleed zichtbaar.
Verwarringssoorten
De Amerikaanse goudplevier Pluvialis dominica is kleiner en slanker, met een kleinere kop en snavel, bruiner of goudgeel getinte bovendelen en een duidelijkere lichte wenkbrauwstreep; in vlucht ontbreken de zwarte oksels en de witte stuit, en de ondervleugel is egaal grijs. De kanoet Calidris canutus is vergelijkbaar grijs, maar heeft een langere, rechte snavel, kortere poten en foerageert in dichte groepen met een gelijkmatig pikkende beweging.
Leefgebied
Getijdenvlakten, modderbanken, zoutpannen en ondiepe lagunes, zandstranden en de randen van mangrove. Foerageert in de typische plevierenstijl: een paar passen lopen, stilstaan, rondkijken en dan pikken naar wormen, kreeftjes en schelpdiertjes. Bij hoogwater verzamelen de vogels zich op hogere zandplaten, dijkjes of droge zoutpannen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Wintergast en doortrekker in vrijwel het hele gebied: de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, Cuba, Jamaica, Hispaniola, Puerto Rico, de Kaaimaneilanden, de Maagdeneilanden, de Kleine Antillen, de ABC-eilanden, Trinidad en Tobago en San Andrés. Op de meeste eilanden vrij algemeen op geschikte kustplaatsen, het talrijkst waar uitgestrekte wadplaten en zoutpannen liggen. Buiten het gebied broedt de soort rond de Noordpool, in Alaska, Arctisch Canada en Noord-Rusland, en overwintert ze langs kusten over vrijwel de hele wereld.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Zoutpannen en wadplaten bij laagwater, zoals de zoutpannen van Bonaire en Curaçao, de kustvlakten van Cuba en Puerto Rico en de wadden van Trinidad. Bij hoogwater zijn de groepen op de rustplaatsen het best te tellen. Op afstand helpt het silhouet: groot, rechtop en grofgebouwd, met een korte, zware snavel.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar. De wereldpopulatie neemt af, vooral door verlies en verstoring van wadplaten langs de trekroutes. In het gebied zelf staan geschikte zoutpannen en kustvlakten onder druk van kustbebouwing, en op enkele eilanden van de Kleine Antillen werden steltlopers traditioneel bejaagd.
Wetenschappelijke naam
Pluvialis squatarola | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Tringa Squatarola; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pluvialis werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Pluvialis is Latijn voor 'van de regen', van pluvia 'regen', naar het oude geloof dat deze plevieren samendromden wanneer er regen op komst was. squatarola is een gelatiniseerde vorm van sgatarola, een Venetiaanse naam voor een soort plevier. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.



