Alle soorten › Kolibries en gierzwaluwen › Kolibries › Witstaartsabelvleugel

Witstaartsabelvleugel | Campylopterus ensipennis

White-tailed Sabrewing | Colibrí coliblanco

De witstaartsabelvleugel is een grote kolibrie met een klein verspreidingsgebied: Tobago en twee berggebieden in het noordoosten van Venezuela. In het Caribisch gebied komt hij alleen op Tobago voor, in het bos van de Main Ridge. De naam verwijst naar de verdikte, gebogen schachten van de buitenste handpennen van het mannetje.

Witstaartsabelvleugel (Campylopterus ensipennis)
Foto: Stevelaycock21 — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, licht tweelettergrepig tsjink, dat het mannetje herhaaldelijk laat horen vanaf een zangpost in de ondergroei.

Luister: VluchtroepXC4007

Opname: Nick Athanas — CC BY-NC-SA 3.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12–13 cm, met een zwarte, licht gebogen snavel. Het mannetje heeft glanzend groene bovendelen, een blauwe tot donkerviolette keel en groene onderdelen. De staart is breed; de buitenste pennen zijn grotendeels wit, wat zichtbaar is bij het spreiden van de staart en in de vlucht. Bij het mannetje zijn de schachten van de buitenste handpennen verdikt. Het vrouwtje is groen van boven en grijs van onder, met een kleinere blauwe keelvlek, en heeft eveneens veel wit in de staart.

Verwarrings­soorten

De witnekkolibrie Florisuga mellivora heeft ook een witte staart, maar heeft een rechte snavel, en het mannetje heeft een donkerblauwe kop met een witte nekband en een witte buik. De zwartkeelmango Anthracothorax nigricollis is ongeveer even groot, met een sterker gebogen snavel en een paarsrode staart zonder wit. De koperrugamazilia Saucerottia tobaci is veel kleiner, met een rechte snavel, een koperkleurige stuit en een donkere staart.

Leefgebied

Vochtig bos, ouder secundair bos en plantages, vooral koffieplantages met schaduwbomen. Op het vasteland tussen 400 en 2.000 m, op Tobago in de hogere delen van de Main Ridge. Zoekt nectar in de onderste en middelste lagen van het bos, onder meer aan heliconia's.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Op Tobago beperkt tot het bos van de Main Ridge in het noordoosten van het eiland. Daarbuiten alleen in het noordoosten van Venezuela, op het schiereiland Paria en in de Cordillera de Caripe. Ontbreekt op Trinidad.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Langs de Gilpin Trace en andere paden in het Main Ridge Forest Reserve op Tobago, waar mannetjes vanaf vaste posten in de ondergroei roepen. Een opvliegende vogel is te herkennen aan de witte staartzijden.

Staat van instandhouding

Gevoelig (NT). De wereldpopulatie wordt geschat op 50.000–100.000 volwassen vogels en neemt af door bosverlies op het vasteland. De populatie van Tobago werd door orkaan Flora in 1963 bijna uitgeroeid, maar heeft zich sindsdien gedeeltelijk hersteld.

Wetenschappelijke naam

Campylopterus ensipennis | (Swainson, 1822)

Swainson beschreef de soort in 1822 als Trochilus ensipennis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Campylopterus werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Campylopterus is Grieks, van kampulos 'gebogen' en pteron 'vleugel', naar de verdikte, gebogen schachten van de buitenste handpennen. ensipennis is Latijn, van ensis 'zwaard' en penna 'veer', naar de verbrede, sabelvormige schachten van de buitenste handpennen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit onbekend.