Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Witkruingors
Witkruingors | Zonotrichia leucophrys
White-crowned Sparrow | Chingolo coroniblanco
De witkruingors is een grote, langstaartige gors uit het westen en noorden van Noord-Amerika, waar hij in de winter tot de bekendste vogels van struwelen, tuinen en akkerranden hoort. Het overwinteringsgebied ligt grotendeels in het westen en zuiden van de Verenigde Staten en in Mexico, zodat het Caribisch gebied ver buiten de normale route valt. Toch worden er bijna elke winter enkele vogels gemeld, vooral op Cuba en de Bahama's.
Geluid
De roep is een scherp, metaalachtig pink of tsit; in vlucht een dun tsiep. De zang, die ook in de winter te horen kan zijn, begint met een of twee lange, fluitende tonen en loopt over in zoemende trillers en tjilpende noten.
Opname: Don Profota — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
15–16 cm, met een lange staart en een kleine, roze tot oranjegele snavel. Volwassen vogels hebben een zwart-wit gestreepte kruin: een witte middenstreep, zwarte kruinzijden, een brede witte wenkbrauwstreep en een zwarte oogstreep. Gezicht, hals en onderdelen zijn effen grijs, de flanken en onderbuik bruingrijs getint. De rug is grijsbruin met donkere strepen, de vleugels zijn bruin met twee smalle witte vleugelstrepen. Vogels in de eerste winter hebben dezelfde tekening in roodbruin en lichtbruin in plaats van zwart en wit. Bij de ondersoort gambelii begint de witte wenkbrauwstreep bij de snavel; bij de oostelijke nominaatvorm is de teugel zwart. De seksen zijn gelijk.
Verwarringssoorten
Met de zwart-witte kopstrepen en de effen grijze borst is een volwassen vogel nauwelijks te verwarren. De roodkraaggors Zonotrichia capensis, op Hispaniola en Trinidad, heeft een grijs-zwart gestreepte kop, een kleine kuif en een roodbruine nekband. Jonge witkruingorzen kunnen lijken op de roodoorgors Chondestes grammacus, maar die heeft een kastanjebruine oorvlek, een centrale borstvlek en witte staarthoeken. De musgors Spizella passerina en de bleke gors Spizella pallida zijn kleiner, met een donkere snavel en een slankere bouw.
Leefgebied
In het gebied vooral in kuststruweel, ruigten en struikgewas langs akkers en weilanden, en in tuinen en parken met dichte struiken en kale grond. Foerageert op de grond naar zaden, vaak dicht bij dekking, en vlucht bij verstoring in de struiken. Waarnemingen betreffen meestal losse vogels, soms in gezelschap van andere gorzen of grondvinken.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Zeldzame wintergast en doortrekker op Cuba en de Bahama's; schaarse meldingen van de Kaaimaneilanden en de Turks- en Caicoseilanden. Daarbuiten in het gebied hooguit zeer zeldzame dwaalgast. Broedt in Alaska, Canada en de bergen en kust van het westen van de Verenigde Staten; overwintert van het westen en zuiden van de Verenigde Staten tot in het midden van Mexico.
- Wintergast (ca. apr–sep)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De kans is het grootst van november tot maart in West-Cuba en op de noordelijke Bahama's, in ruige randen van akkers, kusthagen en tuinen. Een grote gors met een lange staart en een gestreepte kop die op kale grond onder struiken foerageert, is het nader bekijken waard; jonge vogels vallen het meest op door het bruin-lichtbruine kopstrepenpatroon.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort is in Noord-Amerika talrijk en wijdverbreid, al neemt de populatie volgens tellingen langzaam af. In het Caribisch gebied zeldzaam en onregelmatig.
Wetenschappelijke naam
Zonotrichia leucophrys | (Forster, 1772)
Forster beschreef de soort in 1772 als Emberiza leucophrys; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Zonotrichia werd in 1832 ingevoerd door Swainson. Zonotrichia is Grieks, van zōnē 'band' en thrix 'haar'. leucophrys is Grieks, van leukos 'wit' en ophrus 'wenkbrauw', naar de witte streep boven het oog. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Severn bij de Hudsonbaai.




