Alle soorten › Zangvogels › Troepialen › Witkaakweidespreeuw

Witkaakweidespreeuw | Sturnella magna

Eastern Meadowlark | Sabanero

De witkaakweidespreeuw is een forse, kortstaartige troepiaal van open grasland, die in het Caribisch gebied alleen op Cuba voorkomt. De Cubaanse vogels vormen een eigen ondersoort, Sturnella magna hippocrepis, en zijn standvogels; op Cuba heet de soort sabanero. Fossiele resten uit Sawmill Sink op Abaco laten zien dat de soort vroeger ook op de Bahama's leefde.

Witkaakweidespreeuw (Sturnella magna)
Foto: Jimfbleak — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een reeks heldere, zuivere, wat weemoedig klinkende fluittonen, vaak dalend, vanaf een paal, struik of draad. De roep is een droog, zoemend dzjert en een ratelende reeks bij onrust.

Luister: ZangXC1084543

Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

19–26 cm, gedrongen, met een lange, spitse snavel, een platte kop, een korte staart en stevige poten. De bovendelen zijn bruin met zwarte en beige strepen; de kruin heeft donkere zijstrepen en een lichte middenstreep. Keel, borst en buik zijn helder geel, met een zwarte V-vormige band over de borst. De wenkbrauwstreep is voor het oog geel, erachter wit, en de wangen zijn wit. Flanken en onderstaart zijn wit met zwarte vlekken. De buitenste staartpennen zijn wit en vallen op als de vogel opvliegt of de staart spreidt. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn bleker, met een vage, gestreepte borstband.

Verwarrings­soorten

In het Caribisch gebied geen andere weidespreeuw met een gele borst; de zwartkopsoldatenspreeuw Leistes militaris leeft alleen op Trinidad. In vlucht kan de vogel aan een kwartel of hoendervogel doen denken door de korte, snelle vleugelslagen afgewisseld met glijden, maar de witte buitenste staartpennen zijn kenmerkend. De bobolink Dolichonyx oryzivorus in rustkleed is veel kleiner, zonder zwarte borstband.

Leefgebied

Savanne, weiden, open grasland met verspreide palmen, de randen van suikerrietvelden en ander landbouwgebied met grazige stukken, ook vochtige, periodiek overstroomde graslanden. Loopt over de grond en zoekt insecten, vooral sprinkhanen en kevers, en zaden. Het nest ligt op de grond in een kuil, vaak met een dakje van gras.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Standvogel op Cuba en Isla de la Juventud, verspreid over het hele eiland in open land, plaatselijk algemeen. Op de Bahama's verdwenen; de waarnemingen van Abaco en New Providence in de kaartdatabase zijn fossiele botten. Buiten het gebied in het oosten van Noord-Amerika, Mexico en Midden-Amerika tot in het noorden van Zuid-Amerika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de vroege ochtend zingen de vogels vanaf palen en struiken in de weiden en savannes, bijvoorbeeld in de vlakten van West- en Midden-Cuba. Een opvliegende vogel laat de witte staartzijden zien en landt na een korte, laag vliegende vlucht weer in het gras.

Staat van instandhouding

Gevoelig volgens de IUCN, door een sterke afname in Noord-Amerika als gevolg van verlies en intensiever gebruik van grasland. Op Cuba nog wijdverbreid in open land.

Wetenschappelijke naam

Sturnella magna | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als A[lauda] magna; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Sturnella werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Sturnella is een Latijns verkleinwoord van sturnus 'spreeuw': 'spreeuwtje'. magna is Latijn voor 'groot'; Linnaeus beschreef de soort als een grote leeuwerik (Alauda magna). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit South Carolina.