Alle soorten › Zangvogels › Winterkoningen › Sint-Luciawinterkoning

Sint-Luciawinterkoning | Troglodytes mesoleucus

St. Lucia Wren | Chivirín de Santa Lucía

De Sint-Luciawinterkoning is de zeldzaamste van de vier huiswinterkoningen van de Kleine Antillen. Tot 2024 gold hij als ondersoort van de huiswinterkoning Troglodytes aedon; toen werd hij op grond van genetica, zang en kleed als aparte soort erkend. Hij leeft in kleine, verspreide populaties in droog bos op Saint Lucia.

Van deze soort bestaat geen foto van een levende wilde vogel met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Geluid

De zang is een snelle reeks heldere tonen en trillers, die duidelijk verschilt van die van de huiswinterkoningen van het vasteland. Roepen zijn een raspend tsjrr en een droog gekwetter. Bij onderzoek wordt de soort meestal met afgespeelde zang opgespoord.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.

Herkenning

11–13 cm, klein, met een korte, vaak opgestoken staart en een dunne, licht gebogen snavel. De bovendelen zijn bruin, op stuit en staart warmer; vleugels en staart zijn fijn donker gebandeerd. Kenmerkend zijn de lichte, witachtige onderdelen, waaraan de wetenschappelijke naam (mesoleucus, 'wit in het midden') herinnert, en een duidelijke lichte wenkbrauwstreep. De flanken en onderstaart zijn bruinig. Duidelijk lichter dan de roodbruine Kalinagowinterkoning en Grenadawinterkoning. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

Op Saint Lucia de enige winterkoning. De grijze sidderspotlijster Cinclocerthia gutturalis houdt eveneens de staart omhoog, maar is veel groter, met een lange, gebogen snavel. De Sint-Luciazanger Setophaga delicata is grijs en geel. Het vrouwtje van het Antillendikbekje Loxigilla noctis is bruin, maar heeft een korte, kegelvormige snavel en een ongebandeerde staart.

Leefgebied

Droog loofbos en droog kustbos met dicht struikgewas, op hellingen en in valleien langs de kust. Zoekt laag in de begroeiing, tussen bladafval en in spleten van stammen en rotsen naar insecten en spinnen, en verdwijnt bij onraad snel in dekking.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Alleen op Saint Lucia, in een paar van elkaar gescheiden gebieden met droog bos, vooral in het noorden en noordoosten (rond Grande Anse en het Iyanola-gebied) en plaatselijk in het zuidwesten. Op de natte, beboste berghellingen in het binnenland en in bebouwd gebied ontbreekt de soort. Buiten Saint Lucia komt de soort niet voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het beste in de vroege ochtend in het droge kustbos van het noordoosten, waar de zang het eerste aanknopingspunt is. Een lokale gids die de territoria kent vergroot de kans aanzienlijk.

Staat van instandhouding

Nog niet beoordeeld door de IUCN (NE), omdat de soort pas in 2024 is afgesplitst. Een onderzoek met afgespeelde zang vond in 1997 59 vogels in vier gescheiden populaties, en de totale stand werd op zo'n honderd vogels geschat. Met zo'n kleine populatie op één eiland en verlies van droog kustbos is een hoge bedreigingscategorie bij een toekomstige beoordeling waarschijnlijk.

Wetenschappelijke naam

Troglodytes mesoleucus | (Sclater, 1876)

Sclater beschreef de soort in 1876 als Thryothorus mesoleucus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Troglodytes werd in 1809 ingevoerd door Vieillot. Troglodytes is Grieks, van troglē 'hol, spleet' en dyein 'kruipen': 'holbewoner', naar de gewoonte om al zoekend in spleten en holten te verdwijnen. mesoleucus is Grieks, van mesos 'midden' en leukos 'wit', naar het witte midden van de onderdelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Saint Lucia.