Alle soorten › Zangvogels › Goudhaantjes › Roodkroonhaantje
Roodkroonhaantje | Corthylio calendula
Ruby-crowned Kinglet | Reyezuelo de moño rojo
Het roodkroonhaantje is een van de kleinste zangvogels die het Caribisch gebied bereiken. Het is een Noord-Amerikaanse trekvogel die vooral in het zuiden van de Verenigde Staten en Mexico overwintert; het noordwesten van het Caribisch gebied ligt aan de rand van dat winterareaal. Sinds 2021 staat de soort in een eigen geslacht, Corthylio, los van de goudhaantjes van de Oude Wereld.
Geluid
In de winter vooral een droog, kort dzjidit of tsjit-tsjit, vaak tweemaal achter elkaar. De luide zang, een reeks hoge tonen gevolgd door een rollende, herhaalde frase, is in het gebied zelden te horen, soms in het voorjaar.
Opname: Richard E. Webster — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
9–11 cm, rond en kortstaartig, met een dun, spits snaveltje. Bovendelen grijsgroen tot olijfgroen, onderdelen vuil olijfbeige. Een aan boven- en onderkant onderbroken witte oogring en twee witte vleugelstrepen, de onderste met een donkere band erachter. Mannetjes hebben een scharlakenrode kruinvlek, die meestal verborgen is en alleen bij opwinding zichtbaar wordt; vrouwtjes missen die. De vogel beweegt onrustig en trekt voortdurend met de vleugels.
Verwarringssoorten
De Cubaanse vireo Vireo gundlachii is groter en forser gebouwd, met een dikkere snavel, een lichte bril en een rustiger gedrag. De witoogvireo Vireo griseus heeft een gele bril en een witte iris. De oranjekruinzanger Leiothlypis celata heeft geen vleugelstrepen en geen oogring. Het nerveuze vleugeltrekken is bij het roodkroonhaantje een goed kenmerk.
Leefgebied
In het gebied vooral in pijnbos en in droog loofbos, kustbos en kuststruweel, soms in tuinen met bomen. Foerageert actief in het bladerdak en het struikgewas op kleine insecten en spinnen en hangt daarbij soms kort fladderend voor een blad. Sluit zich vaak aan bij gemengde groepen van overwinterende zangers.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Schaarse wintergast op de noordelijke Bahama's, zoals Grand Bahama, Abaco, Andros en New Providence, en zeldzaam op Cuba, vooral in het westen. Dwaalgast op de Kaaimaneilanden en Jamaica. Broedt in de naaldbossen van Alaska, Canada en het westen van de Verenigde Staten en overwintert van de Verenigde Staten tot Mexico en het noorden van Midden-Amerika.
- Wintergast (ca. apr–sep)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Het beste te zoeken in de pijnbossen van Grand Bahama en Abaco tussen november en maart, bij voorkeur in gemengde groepen zangers. De droge roep en het vleugeltrekken verraden de vogel eerder dan het verenkleed.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De populatie is groot en neemt volgens tellingen in Noord-Amerika toe. In het Caribisch gebied is de soort schaars.
Wetenschappelijke naam
Corthylio calendula | (Linnaeus, 1766) (GBIF: Regulus calendula)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Motacilla Calendula; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Corthylio werd in 1853 ingevoerd door Cabanis. Corthylio komt van Grieks korthulos, een klein, winterkoningachtig vogeltje dat de lexicograaf Hesychius van Alexandrië noemt. calendula is van onzekere herkomst: mogelijk een verkleinwoord van Grieks kalandros 'leeuwerik', of volgens Coues afgeleid van Latijn caleo 'warm zijn', naar de vuurrode kruinvlek. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Philadelphia, Pennsylvania, VS.




