Alle soorten › Zangvogels › Pestvogels › Cederpestvogel
Cederpestvogel | Bombycilla cedrorum
Cedar Waxwing | Ampelis americano
De cederpestvogel is een zwervende besseneter uit Noord-Amerika die in de winter in wisselende aantallen het Caribisch gebied bereikt. In sommige jaren verschijnen groepen op de Bahama's en de Grote Antillen, in andere jaren vrijwel geen. De vogels komen laat in de winter en blijven vaak tot in mei.
Geluid
Een zeer hoog, dun, zoemend fluitje, sriii of siii, vaak door de hele groep tegelijk en ook in de vlucht. Het geluid is zo hoog dat het vaak wordt gemist.
Opname: Rory Nefdt — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
15–18 cm, gestroomlijnd, met een zachte kuif en een korte staart. Kop, borst en mantel warm grijsbruin, naar de stuit en vleugels grijzer. Een zwart masker met een smalle witte rand loopt over het oog; de kin is zwart. Buik lichtgeel, onderstaartdekveren wit. De staart is grijs met een gele eindband, die bij vogels die bepaalde besoorten hebben gegeten oranje kan zijn. Volwassen vogels hebben rode, wasachtige puntjes aan de armpennen. Jonge vogels zijn grijzer, met vage strepen op de onderdelen en weinig of geen rood in de vleugel. In vlucht driehoekige vleugels en een spreeuwachtig silhouet.
Verwarringssoorten
In het gebied komt geen andere pestvogel voor. Op Hispaniola kan een groep in vlucht aan de palmtapuit Dulus dominicus doen denken, maar die heeft geen kuif of masker en is zwaar gestreept op de onderdelen. Het masker, de kuif en de gele staartband zijn verder kenmerkend voor de soort.
Leefgebied
Overal waar bessen en vruchten te vinden zijn: bosranden in loof- en pijnbos, fruitplantages, parken en tuinen met vruchtdragende bomen en struiken. Eet in de winter vrijwel alleen bessen, die in hun geheel worden doorgeslikt; vangt daarnaast insecten in de vlucht. Trekt in groepen rond en blijft zolang er voedsel is.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Onregelmatige wintergast op de Bahama's, Cuba, de Kaaimaneilanden en Jamaica, in sommige winters vrij algemeen, in andere afwezig. Zeldzaam op Hispaniola, Puerto Rico en de Maagdeneilanden; uitzonderlijk verder naar het zuiden in de Kleine Antillen. Broedt in het zuiden van Canada en het noorden en midden van de Verenigde Staten en overwintert van de Verenigde Staten tot Midden-Amerika en het noordwesten van Zuid-Amerika.
- Jaarrond
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Het beste in de late winter en het voorjaar te zoeken bij vruchtdragende bomen in parken en tuinen op Cuba en de Bahama's. De hoge roep is vaak de eerste aanwijzing; groepen zitten graag dicht opeen in de top van een kale boom.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De populatie is groot en stabiel tot toenemend. In het Caribisch gebied hangt het aantal sterk af van de bessenoogst in Noord-Amerika.
Wetenschappelijke naam
Bombycilla cedrorum | Vieillot, 1808
Vieillot beschreef de soort in 1808 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Bombycilla voerde hij in datzelfde werk in. Bombycilla is een door Vieillot bedacht Latijns woord voor 'zijdestaart', een vertaling van het Duitse Seidenschwanz: van bombyx 'zijde' en -cilla, dat hij ten onrechte voor 'staart' aanzag. cedrorum is Latijn voor 'van de ceders', naar de bessen van de Virginische jeneverbes ('red cedar') die de vogel graag eet. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit oostelijk Noord-Amerika.




