Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Ringstaartduif

Ringstaartduif | Patagioenas caribaea

Ring-tailed Pigeon | Paloma jamaicana

De ringstaartduif is een grote boomduif die alleen op Jamaica voorkomt, in het natte bergbos en het kalksteenbos van het oosten en het midden van het eiland. Hij leeft vrijwel uitsluitend in de boomkronen en eet er vruchten, vaak hangend of klauterend. De naam verwijst naar de donkere band dwars over de grijze staart, het beste kenmerk van de soort.

Ringstaartduif (Patagioenas caribaea)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zachte reeks van vier tot vijf koerende tonen, waarvan de laatste het langst aanhoudt, en een keelachtig kroe-kroe-kroeoeoe, vooral in de ochtend vanuit de boomkruinen te horen.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.

Herkenning

38–43 cm, groot en langstaartig; mannetjes zijn gemiddeld groter dan vrouwtjes. Bij het mannetje zijn kop en onderdelen wijnroze, de achterhals heeft een groen tot bronskleurig glanzende vlek, de bovendelen zijn bruingrijs. De slagpennen zijn zwartbruin, de onderstaartdekveren vuilwit. De staart is grijs, aan de basis donkerder, met een donkere leigrijze band halverwege, waarachter een bruingrijze eindband volgt. De iris is oranje met rode oogring, de snavel zwart, de poten rood. Het vrouwtje is doffer, met een olijfbruine waas op rug en schouders en minder glans in de nek. Jonge vogels zijn grijsbruin met een kaneelkleurige buik.

Verwarrings­soorten

De staartband is bij geen andere duif op Jamaica te zien. De wijnrode duif Patagioenas inornata, op Jamaica zeldzaam en vooral in open land, is lichter grijs, met een witte rand langs de vleugel en zonder staartband. De witkapduif P. leucocephala is bijna zwart met een witte kruin. De witvleugeltreurduif Zenaida asiatica en de Antilliaanse treurduif Z. aurita zijn veel kleiner en hebben wit in vleugel of staart.

Leefgebied

Nat bergbos, kalksteenbos op karst en hoger gelegen vochtig bos, van ongeveer 150 tot 2000 m. Buiten de broedtijd trekt een deel van de vogels naar lager gelegen bos, afhankelijk van welke bomen vrucht dragen. Eet uitsluitend vruchten en zaden, onder meer van vijgen en maretak, en speelt een rol bij de verspreiding van de zaden van inheemse bomen. Het nest is een stevig platform van takjes, bekleed met bladeren en schors, hoog in een boom en verborgen tussen klimplanten. Broedt in het voorjaar en de zomer; legt twee witte eieren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Endemisch op Jamaica. Het zwaartepunt ligt in Cockpit Country, de John Crow Mountains en het oostelijke deel van de Blue Mountains; daarbuiten plaatselijk in andere beboste heuvels. Buiten Jamaica komt de soort niet voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Vroeg in de ochtend in Cockpit Country of langs de bosranden in de John Crow Mountains en de Blue Mountains, waar vogels over het bos vliegen of in hoge bomen met rijpe vruchten zitten. In de vlucht is de staartband het beste te zien.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar. De populatie wordt geschat op enkele duizenden tot ruim tienduizend vogels en gaat achteruit door de vernietiging en versnippering van bos en door jacht. Orkanen kunnen de vruchtdragende bomen en daarmee de voedselvoorraad tijdelijk sterk verkleinen.

Wetenschappelijke naam

Patagioenas caribaea | (Jacquin, 1784)

Jacquin beschreef de soort in 1784 als Columba caribaea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Patagioenas werd in 1853 ingevoerd door Reichenbach. Patagioenas is Grieks, van patageō 'klepperen' en oinas 'duif', naar het klapperende vleugelgeluid bij het opvliegen. caribaea is Latijn voor 'Caribisch', naar de herkomst uit het Caribisch gebied. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Jamaica.