Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Pacifische waterpieper
Pacifische waterpieper | Anthus rubescens
American Pipit | Bisbita norteamericano
De Pacifische waterpieper broedt op de toendra en in hooggebergten van Noord-Amerika en Noordoost-Siberië en overwintert van het zuiden van de Verenigde Staten tot Guatemala. Het Caribisch gebied ligt aan de rand van het overwinteringsgebied: alleen op de Bahama's en Cuba wordt de soort enigszins regelmatig gezien, elders is ze een dwaalgast. Vroeger werd ze samen met de waterpieper Anthus spinoletta als één soort behandeld.
Geluid
De roep, vaak bij het opvliegen, is een hoog, dun pi-piet of sip-it, meestal herhaald. Zang is in de wintermaanden niet te verwachten.
Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
15–17 cm, slank, met een dunne, spitse snavel, lange donkere poten en een vrij lange staart met witte buitenste staartpennen. In winterkleed is de bovenkant grijsbruin met vage strepen en de onderkant bleek geelbruin, met donkere strepen op borst en flanken. Een lichte wenkbrauwstreep, een lichte oogring en een donkere baardstreep tekenen de kop; twee smalle lichte vleugelstrepen zijn vaak zichtbaar. In broedkleed, dat in het gebied hooguit bij late vogels in het voorjaar te zien is, is de onderkant warmer geelbruin en zwakker gestreept. De vogel wipt vrijwel voortdurend met de staart.
Verwarringssoorten
De savannahgors Passerculus sandwichensis leeft ook in open terrein en is gestreept, maar heeft een korte kegelsnavel, vaak een gele zweem boven het oog, en wipt niet met de staart. De noordse waterlijster Parkesia noveboracensis en de louisianawaterlijster Parkesia motacilla wippen eveneens, maar zijn donker olijfbruin van boven, hebben een kenmerkende wenkbrauwstreep en leven in mangrove en bos langs water. De sprinkhaangors Ammodramus savannarum is gedrongen, met een korte staart en een dikke snavel.
Leefgebied
Open terrein met korte of schaarse begroeiing: droogvallende lagunes en modderbanken, randen van zoutpannen, zandstranden, kort gemaaide graslanden en golfbanen, akkers en rijstvelden. Loopt over de grond en pikt insecten, kleine schaaldieren en zaden op.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Zeldzame wintergast op de Bahama's. Op Cuba voor het eerst in december 2014 vastgesteld, op het schiereiland Guanahacabibes, en sindsdien enkele keren gezien. Daarnaast als zeldzame gast of dwaalgast gemeld van Jamaica, Hispaniola, San Andrés en Providencia. Broedt van Noordoost-Siberië, Alaska en Noord-Canada tot Groenland, en zuidwaarts in de Rocky Mountains; overwintert langs de Pacifische kust en in het zuiden van de Verenigde Staten, Mexico en Guatemala.
- Wintergast (ca. apr–sep)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Het meest kansrijk op de Bahama's en in het westen van Cuba, op droogvallende lagunes, zoutpannen en golfbanen. De vogel valt meestal pas op wanneer hij opvliegt en de hoge roep laat horen; op de grond verraadt het staartwippen hem.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; de wereldpopulatie is groot. In het Caribisch gebied te schaars om een trend vast te stellen.
Wetenschappelijke naam
Anthus rubescens | (Tunstall, 1771)
Tunstall beschreef de soort in 1771 als Alauda Rubescens; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anthus werd in 1805 ingevoerd door Bechstein. Anthus is het Latijnse woord voor een klein vogeltje van graslanden dat Plinius de Oudere noemt. rubescens is Latijn voor 'roodachtig', van ruber 'rood'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Pennsylvania.





