Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Noordse pijlstormvogel

Noordse pijlstormvogel | Puffinus puffinus

Manx Shearwater | Pardela pichoneta

De noordse pijlstormvogel broedt vooral op eilanden rond Groot-Brittannië en Ierland en overwintert voor de oostkust van Zuid-Amerika. Op de trek tussen die gebieden passeert een klein deel van de vogels de wateren van het Caribisch gebied. Hier is de soort een zeldzame doortrekker, die zich soms tussen de sargassopijlstormvogels mengt.

Noordse pijlstormvogel (Puffinus puffinus)
Foto: Martin Reith — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee stil. In de kolonie 's nachts luide, krassende en kraaiende roepen, uit de holen en in de lucht.

Luister: ZangXC1165882

Opname: Anthony McGeehan — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

30–38 cm. Middelgrote, zwart-witte pijlstormvogel met lange, rechte, smalle vleugels. Bovendelen, kop tot onder het oog en staart zwartachtig; onderdelen en ondervleugel helder wit met een smalle donkere rand. Achter de oorstreek buigt het wit van de halszijde als een halve maan omhoog. De onderstaartdekveren zijn wit. Snavel slank en donker, poten roze met een donkere buitenzijde. Vliegt laag over het water met reeksen snelle, stijve slagen en kantelende glijvluchten, waarbij afwisselend de zwarte bovenzijde en de witte onderzijde te zien zijn. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De sargassopijlstormvogel Puffinus lherminieri, de algemene kleine pijlstormvogel van het gebied, is kleiner, met kortere, bredere vleugels, een relatief langere staart, donkere onderstaartdekveren en een snellere, fladderende vlucht met kortere glijvluchten. De grote pijlstormvogel Ardenna gravis is veel groter, met een bruinere bovenzijde, een witte halsband en een witte band op de stuit.

Leefgebied

Open oceaan en kustwateren boven het continentaal plat. Eet kleine scholvis en inktvis, gevangen aan het oppervlak of met korte duiken. Broedt in holen op begroeide eilanden en berghellingen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Zeldzame doortrekker op zee in het gebied, met waarnemingen onder meer rond de Bahama's, Puerto Rico en de Kleine Antillen. Buiten het gebied broedt de soort vooral op eilanden rond Groot-Brittannië en Ierland en verder op IJsland, de Faeröer, in Bretagne, op de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden, en in kleine aantallen in het noordoosten van Noord-Amerika. Ze overwintert in de zuidelijke Atlantische Oceaan, vooral voor de kust van Brazilië en Argentinië.

  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Een kans bestaat vooral op pelagische tochten en bij zeetrektellingen. Tussen sargassopijlstormvogels vallen de witte onderstaart, de langere, smallere vleugels en de rustiger vlucht met langere glijvluchten op; foto's van de onderstaart helpen bij de determinatie.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, al gaat de populatie langzaam achteruit. Ongeveer 95% van de wereldpopulatie broedt in Europa, deels in enkele grote kolonies waar ingevoerde ratten de grootste bedreiging vormen; op meerdere eilanden heeft het uitroeien van ratten tot herstel geleid. Op zee spelen bijvangst en olievervuiling een rol.

Wetenschappelijke naam

Puffinus puffinus | (Brünnich, 1764)

Brünnich beschreef de soort in 1764 als Procellaria puffinus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Puffinus werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Puffinus komt van het Engelse puffin en varianten daarvan, de naam voor het gezouten jong van de pijlstormvogel, vroeger een lekkernij. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Faeröer en Noorwegen.