Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Mirtezanger

Mirtezanger | Setophaga coronata

Yellow-rumped Warbler | Reinita coronada

De mirtezanger is de zanger die het verst noordelijk overwintert, dankzij een aanpassing: als enige zanger kan hij het was van de bessen van wasgagel en verwante struiken verteren. Daardoor bereikt maar een deel van de populatie het Caribisch gebied, en hoeveel dat er zijn, hangt af van de strengheid van de winter en de bessenoogst verder naar het noorden. Vogels in het gebied behoren tot de oostelijke ‘myrtle’-groep; de westelijke ‘Audubon’-groep, met gele keel, is hier niet te verwachten.

Mirtezanger (Setophaga coronata)
Foto: Mykola Swarnyk — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een vrij luid, vlak tsjek, vaak bij het opvliegen en een goede aanwijzing voor de soort; de vluchtroep een dun sviet. De zang, een losse triller die aan het eind in toon verandert, is in de winter zelden te horen.

Luister: ZangXC1020578

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12–14 cm, vrij fors en langstaartig. In alle kleden zijn de helder gele stuit, een gele vlek aan de zijkant van de borst en witte vlekken in de staart te zien. In de winter bruingrijs van boven met donkere strepen, wit van onder met fijne bruine strepen op borst en flanken, een witte keel die naar achter om de donkere wang heen loopt, een lichte wenkbrauwstreep, gebroken witte oogring en twee witte vleugelstrepen. Het mannetje in broedkleed is blauwgrijs met een zwart borstschild, een zwart masker en een gele kruinvlek.

Verwarrings­soorten

De gele stuit is in combinatie met de witte keel genoeg. De magnoliazanger Setophaga magnolia heeft ook een gele stuit, maar is geel van onder met een witte staartband. De tijgerzanger Setophaga tigrina is kleiner, met een olijfgele stuit en een gele vlek in de halszijde. De palmzanger Setophaga palmarum heeft een gele onderstaart en wipt met de staart. De geelkeelzanger Setophaga dominica heeft een gele keel en een ongestreepte grijze rug.

Leefgebied

Pijnbos, kustbos en kuststruweel, randen van mangrove, droog bos, tuinen, parken en open terrein met verspreide bomen. Zoekt insecten in bladeren en op de grond, vangt ze ook in de vlucht, en eet in de winter veel bessen. Vaak in groepen, soms tientallen bij elkaar.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Algemene wintergast op de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, Cuba en de Kaaimaneilanden, met de grootste aantallen in het noorden en westen. Vrij algemeen tot schaars op Jamaica en Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek), schaars op Puerto Rico en de Maagdeneilanden, zeldzaam in de Kleine Antillen, op de ABC-eilanden en op Trinidad en Tobago. In strenge winters in Noord-Amerika komen er meer vogels naar het gebied. Broedt in de naaldbossen van Alaska, Canada en het noordoosten van de Verenigde Staten.

  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het pijnbos van de Bahama's en West-Cuba en het kustbos van de Kaaimaneilanden zijn de beste plekken, van december tot maart. Een groep zangers die bij het opvliegen een helder gele stuit laat zien en tsjek roept, zijn mirtezangers.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Een van de talrijkste zangers van Noord-Amerika, met een groot broedgebied en een zeer grote populatie.

Wetenschappelijke naam

Setophaga coronata | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Motacilla coronata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Setophaga werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Setophaga is Grieks, van sēs, sētos 'mot' en -phagos 'etend': 'motteneter'. coronata komt van het Latijnse coronatus 'gekroond', naar de gele kruinvlek. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Philadelphia in Pennsylvania.