Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Marmergrutto

Marmergrutto | Limosa fedoa

Marbled Godwit | Aguja canela

De marmergrutto is de grootste grutto van Amerika, een kaneelbruine steltloper met een lange, licht opgewipte snavel. Hij broedt op de prairies van het noorden van de Verenigde Staten en Canada en overwintert vooral aan de kusten van het zuiden van de Verenigde Staten en Mexico. Het Caribisch gebied ligt aan de rand van het winterareaal; alleen op de Bahama's wordt hij geregeld gezien.

Marmergrutto (Limosa fedoa)
Foto: Russ — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, nasaal ka-wek of ker-wek, vaak herhaald, en een lachend ka-ka-ka bij onrust.

Luister: RoepXC741979

Opname: Nancy Salem — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

40–50 cm, waarvan 8–13 cm snavel. De snavel is lang, recht of licht opgewipt, roze aan de basis en donker aan de punt. Het verenkleed is warm kaneelbruin; de bovendelen zijn donker gevlekt en gebandeerd, wat een gemarmerd patroon geeft. In winterkleed zijn de onderdelen vrijwel ongetekend licht kaneel, in broedkleed fijn donker gebandeerd. De poten zijn donker. In vlucht vallen de kaneelkleurige handpennen en de kaneelrode ondervleugel op; er is geen witte vleugelstreep en geen witte stuit. De seksen zijn gelijk; vrouwtjes zijn groter en langer gesnaveld.

Verwarrings­soorten

De rode grutto Limosa haemastica is kleiner en in winterkleed grijs, met een witte vleugelstreep, een zwarte ondervleugel en een witte staartband. De Amerikaanse regenwulp Numenius hudsonicus is grijzer en heeft een neergebogen snavel en kruinstrepen. De willet Tringa semipalmata is grijs en heeft een kortere, rechte snavel en een zwart-witte vleugel.

Leefgebied

Wadplaten en modderbanken, ondiepe zoute lagunes, zoutpannen en zandstranden met slibrijke delen, soms bij mangrove. Foerageert lopend door ondiep water en peurt met de lange snavel diep in het slik naar wormen, schelpdieren en kreeftachtigen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Op de Bahama's een schaarse maar regelmatige wintergast, op Cuba schaars tot zeldzaam en vooral langs de noordkust. Elders zeldzaam: er zijn waarnemingen van de Kaaimaneilanden, Jamaica, Hispaniola, Puerto Rico, de Maagdeneilanden, enkele Kleine Antillen, de ABC-eilanden, San Andrés en Trinidad. Buiten het gebied broedt de soort op de noordelijke prairies van de Verenigde Staten en Canada, met kleine populaties bij de Jamesbaai en in Alaska, en overwintert ze langs de kusten van de Verenigde Staten, Mexico en Midden-Amerika, in klein aantal tot in het noordwesten van Zuid-Amerika.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op de Bahama's en de noordelijke cayos van Cuba zijn grote wadplaten met andere steltlopers de beste plaatsen. Een eenzame marmergrutto voegt zich vaak bij willets of regenwulpen en is dan te herkennen aan de lange opgewipte snavel met roze basis.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar volgens de IUCN. De broedpopulatie is gevoelig voor het verlies van prairie en moerassen in het broedgebied, en de soort is afhankelijk van een klein aantal grote wadgebieden in de winter. In het Caribisch gebied is ze te schaars om een eigen rol in de bescherming te spelen.

Wetenschappelijke naam

Limosa fedoa | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Scolopax Fedoa; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Limosa werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Limosa is Latijn voor 'modderig', van limus 'modder'. fedoa is mogelijk een Oudengelse naam voor een grutto, al in 1544 door William Turner genoemd; de herkomst is verder onbekend. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Hudsonbaai, Canada.