Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Loodbekje

Loodbekje | Euodice malabarica

Indian Silverbill | Capuchino picoplata

Het loodbekje is een sobere, zandkleurige prachtvink uit Zuid-Azië en het Midden-Oosten, genoemd naar de dikke, loodgrijze snavel. Het is een veelgehouden kooivogel. Op Puerto Rico werd het voor het eerst in 1971 vastgesteld en het is er nu plaatselijk algemeen, vooral langs de droge zuidwestkust en in de omgeving van San Juan.

Loodbekje (Euodice malabarica)
Foto: Swamy HKM — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Groepjes laten tijdens het foerageren voortdurend een laag, zacht tsjip of tsjirp horen. De zang is een korte, zachte reeks trillers.

Luister: VluchtroepXC1155843

Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

11–11,5 cm, slank, met een lange, spitse zwarte staart en een dikke, kegelvormige zilvergrijze snavel. De bovendelen zijn egaal zandbruin, de vleugels donkerder bruin. De stuit is wit en valt vooral in de vlucht op tegen de zwarte staart. De onderdelen zijn wit tot crèmekleurig, met zachtbruine flanken. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels hebben bleekbruine onderdelen en een kortere staart.

Verwarrings­soorten

De andere nonnetjes in het gebied hebben een stompe staart zonder witte stuit. Jonge muskaatvinken Lonchura punctulata en jonge driekleurennonnen Lonchura malacca zijn ook egaal bruin, maar donkerder en warmer van kleur, met een donkere snavel. Jonge gewone ekstertjes Spermestes cucullata zijn kleiner, met een korte staart. Vrouwtjes van grasvinken zoals de jacarinagors Volatinia jacarina en de maskergrondvink Melanospiza bicolor zijn olijfbruin en missen de witte stuit en de dikke lichte snavel.

Leefgebied

Droog, open land met struweel en grassen: doornstruweel, kuststruweel, droge weiden, braakliggend land en tuinen en erven waar gras in zaad staat. In het oorspronkelijke gebied ook droge vlakten en akkerland, soms bij water. Foerageert in kleine groepen, vooral op graszaden, af en toe op insecten en nectar. Het nest is een losse bol van gras met een zijingang in een struik of doornboom.

Verspreiding en trek

Ingevoerd en gevestigd op Puerto Rico, vooral langs de kust in het zuidwesten en in de stedelijke regio van San Juan. Ook op Saint Croix op de Amerikaanse Maagdeneilanden ingevoerd; die populatie is mogelijk verdwenen. Van nature van het oosten van het Arabisch Schiereiland en Iran door Pakistan, India en Nepal tot Bangladesh en Sri Lanka. Ook elders ingevoerd, onder meer op Hawaï en in het Midden-Oosten.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het beste te zoeken in droge, grazige terreinen langs de zuidwestkust van Puerto Rico en in de buitenwijken van San Juan. In de vlucht is de witte stuit tegen de zwarte, spitse staart het beste kenmerk; groepjes worden vaak eerst gehoord door hun tjirpende contactroep.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. Op Puerto Rico een gevestigde exoot die niet op lijsten van beschermde of bedreigde soorten staat.

Wetenschappelijke naam

Euodice malabarica | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Loxia malabarica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Euodice werd in 1863 ingevoerd door Reichenbach. Euodice is Grieks, van eu 'goed' en ōdikos 'zingend', dus zoveel als 'goede zanger'. malabarica verwijst naar Malabar, de kuststreek in het zuidwesten van India. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Malabar in India.