Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Rallen › Koningsral
Koningsral | Rallus elegans
King Rail | Rascón real
De koningsral is een grote, warm gekleurde ral van zoetwatermoerassen, met een roestbruine hals en borst en een lange, licht gebogen snavel. In het Caribisch gebied komt hij alleen op Cuba voor, waar een eigen ondersoort leeft, Rallus elegans ramsdeni. Hij is het zoetwatertegenhanger van de klapperral, die in de mangrove en de zoute kustmoerassen leeft.
Geluid
Een reeks luide, gelijkmatige knorrende tonen, kek-kek-kek-kek of djup-djup-djup, lager en trager dan bij de klapperral en minder versnellend. Daarnaast korte grommende en klikkende roepen, vooral in de schemering en 's nachts.
Opname: John A. Middleton Jr. — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
38–48 cm; het mannetje is groter dan het vrouwtje. De snavel is lang, iets naar beneden gebogen en bruinachtig met een oranjegele basis van de ondersnavel. De bovendelen zijn bruin met zwartachtige veercentra en roestbruine randen, wat een duidelijk gestreept patroon geeft. Wang grijsbruin, keel wit, een smalle lichte wenkbrauwstreep. Hals en borst zijn warm kaneel- tot roestbruin. Flanken en buik zijn zwart met scherpe witte dwarsbanden; de onderstaart is wit. De poten zijn grijsbruin tot oranjeachtig. Jonge vogels zijn donkerder en vager getekend. Loopt behoedzaam door dichte vegetatie en vliegt zelden, met hangende poten.
Verwarringssoorten
De klapperral Rallus crepitans is gemiddeld kleiner en grijzer, met grijze wangen, een vale borst en minder contrastrijke bovendelen, en leeft vrijwel alleen in mangrove en zoute moerassen. Waar beide in brakke moerassen samenkomen kunnen tussenvormen voorkomen. De gevlekte ral Pardirallus maculatus is kleiner en dicht wit gestippeld. De zapataral Mustelirallus cerverai is kleiner, leigrijs, met een gele snavel met rode basis.
Leefgebied
Zoetwatermoerassen met lisdodde, zaaggras en riet, overstroomde graslanden, oevers van kanalen en rijstvelden; plaatselijk ook brakke moerassen achter de kust. Foerageert in ondiep water en aan de rand van de vegetatie op kreeftachtigen, waterinsecten, kleine vissen, kikkers en zaden. Het nest is een kom van plantenmateriaal, verborgen in dichte vegetatie boven het water.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Binnen het gebied alleen op Cuba, inclusief Isla de la Juventud, waar de soort verspreid voorkomt in de moerassen en rijstvelden van het laagland, onder meer in het Zapata-moeras. Van Jamaica en Puerto Rico zijn alleen losse meldingen bekend. Buiten het gebied in het oosten van de Verenigde Staten, van de Grote Meren tot Florida en de Golfkust, en plaatselijk in Mexico; de noordelijke vogels trekken in de winter naar het zuiden.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Op Cuba in het Zapata-moeras en in de rijstvelden van het laagland, bijvoorbeeld langs dijkjes en slootkanten waar de vegetatie aan open water grenst. In de vroege ochtend en de avond laten de vogels zich het vaakst zien; de roep, die vaak door een tweede vogel wordt beantwoord, geeft hun plaats aan.
Staat van instandhouding
Wereldwijd gevoelig: de soort is in Noord-Amerika sterk achteruitgegaan door het verdwijnen van zoetwatermoerassen. Over de Cubaanse populatie is weinig cijfermatig bekend; ze is afhankelijk van moerassen en rijstvelden, die door droogleggen, branden en pesticidegebruik onder druk staan.
Wetenschappelijke naam
Rallus elegans | Audubon, 1834
Audubon beschreef de soort in 1834 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Rallus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Rallus is de naam die Engelse vogelkundigen als Willughby en Albin al vóór Linnaeus voor de waterral gebruikten; de precieze herkomst van het woord is onzeker. elegans is Latijn voor 'sierlijk, fraai', naar het warm gekleurde verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Charleston, South Carolina.



