Alle soorten › Koekoeksvogels › Koekoeken › Kleine mangrovekoekoek
Kleine mangrovekoekoek | Coccyzus melacoryphus
Dark-billed Cuckoo | Cuclillo piquioscuro
De kleine mangrovekoekoek is een slanke koekoek uit Zuid-Amerika, met een grijze kruin, een zwart oogmasker en warm okerkleurige onderdelen. Een groot deel van de vogels die in het zuiden van het continent broeden, trekt in de zuidelijke winter naar het noorden. In het Caribisch gebied is hij een zeldzame gast, vooral op Trinidad, en een broedvogel is hij er niet; de vogels die op het eiland worden gezien, komen van het Zuid-Amerikaanse vasteland.
Geluid
In het gebied zelden te horen. De roep is een reeks van zes tot acht resonerende, zoemende tonen, die aan een kazoo doen denken; daarnaast een buikspreekachtig ga-ga-ga-go-go en een dalende reeks keelgeluiden.
Opname: Franco Vushurovich — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
25–28 cm, waarvan ongeveer de helft staart. De kruin is grijs en steekt af tegen de grijsbruine bovendelen. Een brede zwarte maskerstreep loopt van de snavel door het oog naar de oorstreek; daaronder ligt een lichtere, grijsachtige wang. Keel, borst en buik zijn warm geelbruin tot okerkleurig. De snavel is geheel zwart en licht gebogen; om het oog een smalle gele tot olijfkleurige ring. De staart is van boven bruin, van onder zwart met smalle witte toppen aan de pennen. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn doffer, met een bruine kruin, een minder uitgesproken masker en soms wat roestbruin in de vleugel.
Verwarringssoorten
De mangrovekoekoek Coccyzus minor lijkt sterk, met hetzelfde zwarte masker en okerkleurige onderdelen, maar is iets groter, heeft een gele ondersnavel, een minder grijze kruin en grote witte vlekken op de onderkant van de staart. De geelsnavelkoekoek Coccyzus americanus heeft geen masker, zuiver witte onderdelen, een gele ondersnavel en roodbruin in de handpennen. De zwartsnavelkoekoek Coccyzus erythropthalmus heeft eveneens een donkere snavel, maar witte onderdelen, geen masker en bij volwassen vogels een rode oogring.
Leefgebied
In het verspreidingsgebied tropisch loofbos, galerijbos, ouder secundair bos, struweel en mangrove, vooral in het laagland onder ongeveer 950 meter, soms veel hoger. Leeft verscholen in dicht loof, waar hij langzaam en onopvallend tussen de takken naar rupsen en andere grote insecten zoekt; zit vaak lange tijd roerloos. In het broedgebied bouwt hij een plat platform van takjes in een boom of struik, waarop twee tot vijf groenblauwe eieren worden gelegd; anders dan de koekoek van Europa broeden de ouders zelf.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
In het gebied een zeldzame gast op Trinidad, die daar niet broedt. Als dwaalgast ook vastgesteld op Grenada; daarnaast worden uit San Andrés waarnemingen opgegeven. Op de andere eilanden is de soort niet als regelmatige gast bekend. Buiten het gebied op vrijwel het hele Zuid-Amerikaanse vasteland behalve Chili, en op de Galápagoseilanden; vogels uit het zuiden trekken tussen ongeveer maart en oktober naar het noorden, tot in het Amazonebekken en Venezuela. Als dwaalgast ook vastgesteld in Panama, Florida en Texas.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Een waarneming in het gebied is een kwestie van geluk; de kans is het grootst op Trinidad in de maanden waarin zuidelijke vogels naar het noorden trekken. Elke koekoek met een masker en een geheel zwarte snavel verdient een zorgvuldige vergelijking met de mangrovekoekoek, met aandacht voor de kleur van de ondersnavel, de kruin en de grootte van de witte staartvlekken; een foto van de onderkant van de staart helpt bij de determinatie.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd; de soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied in Zuid-Amerika. In het Caribisch gebied een zeldzame gast zonder vaste populatie. Waarnemingen in het gebied zijn het documenteren waard.
Wetenschappelijke naam
Coccyzus melacoryphus | Vieillot, 1817
Vieillot beschreef de soort in 1817 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Coccyzus werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Coccyzus is Grieks, van kokkuzō 'koekoek roepen', naar de roep van de koekoek. melacoryphus is Grieks, van melas 'zwart' en koruphē 'kruin', naar de donkere kruin. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Paraguay.


