Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Kleine grijze snip

Kleine grijze snip | Limnodromus griseus

Short-billed Dowitcher | Agujeta gris

De kleine grijze snip is een van de algemeenste steltlopers van het Caribisch gebied, op wadplaten, in zoutpannen en langs mangrove vaak in dichte groepen te zien. Met hun lange rechte snavels prikken de vogels in hoog tempo in het slik. Verwarring met de grote grijze snip is groot; die soort is in het gebied veel schaarser en zoekt meer zoet water op.

Kleine grijze snip (Limnodromus griseus)
Foto: Chuck Homler, Focus On Wildlife — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zacht, melodieus tu-tu-tu, meestal drie lettergrepen, vooral in vlucht. Bij het foerageren vrij stil.

Luister: VluchtroepXC1020814

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

25–29 cm. Compacte, kortpotige steltloper met een lange, rechte snavel en groengele poten. In winterkleed lichtgrijs boven, met een lichtgrijze, fijn gespikkelde borst die geleidelijk overgaat in de witte buik, en een witte wenkbrauwstreep. In broedkleed oranjebruin met donker gevlekte borst; bij de ondersoort hendersoni reikt het oranje tot op de buik, bij de nominaat is de buik wit. Jonge vogels zijn warm bruin met tertials die lichte binnenbanden tonen. In vlucht een witte wig van stuit tot halverwege de rug, en een fijn gebandeerde staart. Vrouwtjes hebben gemiddeld langere snavels.

Verwarrings­soorten

De grote grijze snip Limnodromus scolopaceus heeft in winterkleed een donkerder, egaal grijze borst en roept een scherp kiek; jonge vogels hebben effen grijze tertials. De steltstrandloper Calidris himantopus heeft langere, gelige poten en een kortere, aan de punt licht gebogen snavel. De Amerikaanse watersnip Gallinago delicata heeft een gestreepte kop en rug, leeft verborgen in moerasvegetatie en mist de witte wig.

Leefgebied

Getijdeplaten en modderbanken, zoute lagunes en zoutpannen, mangroveranden, en daarnaast zuiveringsvijvers, viskwekerijen en rijstvelden. Foerageert in ondiep water en op nat slik met snelle, verticale steken van de snavel naar wormen, kleine schelpdieren en insectenlarven, vaak in groepen tussen andere steltlopers.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Wintergast en doortrekker in het hele gebied, op de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, Cuba, de Kaaimaneilanden, Jamaica, Hispaniola, Puerto Rico, de Maagdeneilanden, de Kleine Antillen, de ABC-eilanden, San Andrés en Trinidad en Tobago. Het talrijkst langs kusten met uitgestrekte wadplaten en zoutpannen. Buiten het gebied broedt de soort in Alaska en Canada en overwintert ze langs de kusten van het zuiden van de Verenigde Staten tot Peru en Brazilië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoutpannen en zuiveringsvijvers zijn de beste plaatsen, ook op kleine eilanden; groepen zijn vaak vertrouwd en goed van dichtbij te bekijken. Een grijze snip die niet tu-tu-tu roept of op zoet water foerageert, verdient een tweede blik.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar volgens de IUCN, door een duidelijke afname in de laatste decennia. Bedreigingen zijn verlies van wadgebieden langs de trekroute, verstoring en jacht; op Barbados wordt de soort nog geschoten, en daar is aanbevolen de jacht niet te laten toenemen.

Wetenschappelijke naam

Limnodromus griseus | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Scolopax grisea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Limnodromus werd in 1833 ingevoerd door Wied-Neuwied. Limnodromus is Grieks, van limnē 'moeras' en -dromos '-loper'. griseus is middeleeuws Latijn voor 'grijs', naar het grijze winterkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Long Island, New York.