Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Kelpmeeuw

Kelpmeeuw | Larus dominicanus

Kelp Gull | Gaviota dominicana

De kelpmeeuw is de grote meeuw met zwarte mantel van het zuidelijk halfrond, van Zuid-Amerika en zuidelijk Afrika tot Australië, Nieuw-Zeeland en het Antarctisch Schiereiland. Ten noorden van de evenaar is ze een zeldzame dwaalgast. In het Caribisch gebied zijn slechts enkele gevallen bekend, vrijwel alle uit het zuiden van de eilandboog.

Kelpmeeuw (Larus dominicanus)
Foto: Steve & Jem Copley Camera location36° 53′ 12″ S, 175° 49′ 23.42″ E View this and other nearby images on: OpenStreetMap-36.886667; 175.823173 — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Buiten de broedkolonie meestal stil. De gewone roep is een schril, lachend kie-ochh, lager en ruwer dan bij de Amerikaanse zilvermeeuw; bij onrust een kort, diep ga-ga-ga.

Luister: VluchtroepXC1177085

Opname: African Bioacoustics Community — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

54–65 cm, groot en zwaar, in formaat tussen de kleine en de grote mantelmeeuw in, met een forse snavel met duidelijke hoek aan de onderkant. Volwassen vogels hebben een zwarte mantel en vleugels met een brede witte achterrand, een witte kop die ook in de winter vrijwel ongestreept blijft, een gele snavel met rode vlek, meestal een licht oog en groenig gele poten. De zwarte vleugelpunt heeft maar één kleine witte spiegel en smalle witte toppen. Het volwassen kleed wordt in het vierde jaar bereikt. Jonge vogels zijn donker grijsbruin en sterk geschubd, met een donkere kop, een zwarte snavel, een vrij donkere staart en doffe grijsbruine poten; in vlucht ontbreekt een licht venster in de handpennen. Oudere onvolwassen vogels krijgen eerst een zwartachtige mantel en een lichte snavelbasis.

Verwarrings­soorten

De grote mantelmeeuw Larus marinus is groter, met roze poten, een grotere witte vleugelpunt en een gestreepte kop in de winter; jonge grote mantelmeeuwen zijn veel lichter en sterker geblokt, met een witte stuit. De kleine mantelmeeuw Larus fuscus is slanker en langvleugeliger, met een leigrijze in plaats van zwarte mantel, gele poten en in de winter een sterk gestreepte kop. Jonge Amerikaanse zilvermeeuwen Larus smithsonianus hebben roze poten en een licht venster in de binnenste handpennen; volwassen vogels hebben een lichtgrijze mantel. Elk vermoeden van een kelpmeeuw vraagt om foto's van poten, vleugelpunt en mantel.

Leefgebied

Stranden, havens, getijdenvlakten, lagunes en visaanlandplaatsen; in het broedgebied ook rotskusten, eilandjes en vuilnisbelten. Eet vis, schelpdieren, krabben, aas en afval, en laat schelpen op harde ondergrond vallen om ze te breken. In het Caribisch gebied rusten de vogels tussen andere meeuwen op zandbanken en pieren.

Verspreiding en trek

Dwaalgast. Op Trinidad zijn sinds 2001 meerdere gevallen gemeld, aan de westkust bij San Fernando en Siparia en in het kustgebied tussen Couva en Waterloo, waar ook andere grote meeuwen pleisteren; enkele vogels bleven daar meerdere maanden. Op Barbados één geval in 2000 (Saint Lucy). Van de Grote Antillen, de Bahama's en de ABC-eilanden zijn geen bevestigde gevallen bekend. Buiten het gebied broedt de soort langs de kusten van Zuid-Amerika, aan de Atlantische zijde noordelijk tot in Brazilië, en in zuidelijk Afrika, Madagaskar, Australië, Nieuw-Zeeland, op subantarctische eilanden en op het Antarctisch Schiereiland. Als dwaalgast is ze ook in de Verenigde Staten vastgesteld, voor het eerst in 1989 op de Chandeleur-eilanden in Louisiana.

Hoe en wanneer kijken

Een kans bestaat vooral tussen de meeuwen aan de westkust van Trinidad, bij visaanlandplaatsen en op slikken. Een volwassen grote meeuw met zwarte mantel en gele of groenig gele poten verdient extra aandacht; de vrijwel ongestreepte kop, de kleine witte vleugelpunt en de pootkleur onderscheiden haar van kleine en grote mantelmeeuw.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De wereldpopulatie is groot en is in delen van het verspreidingsgebied toegenomen dankzij visserijafval en vuilnisbelten. In het Caribisch gebied een zeer zeldzame gast zonder vaste aanwezigheid.

Wetenschappelijke naam

Larus dominicanus | Lichtenstein, 1823

Lichtenstein beschreef de soort in 1823 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Larus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Larus is Latijn, ontleend aan het Griekse laros, en sloeg bij de klassieke schrijvers op een meeuw of een andere grote zeevogel. dominicanus verwijst naar de dominicanen, wier zwart-witte habijt doet denken aan het kleed van deze meeuw met zijn zwarte rug en witte kop en buik. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit kust van Brazilië.