Alle soorten › Zangvogels › Spindalissen › Hispaniolaspindalis

Hispaniolaspindalis | Spindalis dominicensis

Hispaniolan Spindalis | Cigua amarilla

De Hispaniolaspindalis is een van de vier spindalissen, een familie van vruchtenetende zangvogels die alleen in het Caribisch gebied voorkomt. Het mannetje heeft van de vier de meest gevarieerde tekening, met een gele keelvlek en een kastanjebruine borst. In de Dominicaanse Republiek heet hij cigua amarilla.

Hispaniolaspindalis (Spindalis dominicensis)
Foto: JeffreyGammon — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje zingt bij dageraad een dunne, hoge fluittoon of een langgerekt, zwak en sissend tsie sie sie sie. Roepen zijn een hoog tsiep en een langer sieee. Vrouwtjes zingen een zachtere versie.

Luister: RoepXC308641

Opname: Ross Gallardy — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 16 cm, met een korte, dikke snavel. Het mannetje heeft een zwarte kop met een witte wenkbrauwstreep en een witte baardstreep, een witte kin en een heldergele keelvlek met zwarte zijkanten. De nek is geel, de rug groenig olijf, de stuit okergeel en de bovenstaartdekveren kastanjebruin. De borst is diep kastanjebruin en vervaagt naar geel; de buik is wit en de onderstaartdekveren zijn zwart. Vleugels en staart zijn zwart met witte randen. Het vrouwtje is grijsolijf, met een grijzere kop, een geelolijf stuit, een donkerbruine staart en witachtige onderdelen met donkere streepjes. Jonge vogels lijken op het vrouwtje, maar zijn doffer.

Verwarrings­soorten

Op Hispaniola geen andere spindalis. De Hispaniolatroepiaal Icterus dominicensis is zwart met gele schouders, stuit en buik, en heeft een spitse snavel. De zwartkruinpalmtangare Phaenicophilus palmarum en de grijskruinpalmtangare Phaenicophilus poliocephalus zijn groen van boven met een grijze keel en witte vlekjes rond het oog. De antillenorganist Chlorophonia musica is veel kleiner, met een blauwe kruin. Het vrouwtje kan aan de lichte, gestreepte onderdelen en de korte, dikke snavel worden herkend.

Leefgebied

Vochtig bos met struikgewas en lage begroeiing, bergbos, nevelwoud en pijnbos, en daarnaast boomgaarden, koffieplantages en andere aanplant. Komt op vrijwel elke hoogte voor, maar is het talrijkst in de bergen. Eet vooral vruchten, die met de snavel worden opengepikt, en daarnaast bloemknoppen, zaden, jonge bladeren en insecten, van struikhoogte tot in de boomtoppen. Broedt in mei en juni in een kleine kom van droog gras tot ongeveer 4,5 m hoog in een boom of struik, met drie eieren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Alleen op Hispaniola, in zowel Haïti als de Dominicaanse Republiek, en op het Haïtiaanse eiland Gonâve. Buiten deze eilanden komt de soort niet voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het bergbos van de Cordillera Central en de Sierra de Bahoruco in de Dominicaanse Republiek, bijvoorbeeld in het reservaat Ebano Verde, waar de vogels in vruchtdragende bomen foerageren. De dunne zang bij dageraad verraadt de zingende mannetjes in de boomtoppen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is in het bergland algemeen. Ontbossing, vooral in Haïti, heeft het leefgebied plaatselijk sterk ingeperkt.

Wetenschappelijke naam

Spindalis dominicensis | (Bryant, 1867)

Bryant beschreef de soort in 1867 als Tanagra dominicensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Spindalis werd in 1837 ingevoerd door Jardine & Selby. Spindalis komt van het Griekse spindalos of pindalos, een onbekende Indiase vogel die verwant zou zijn aan de attagas (een hoen). dominicensis is Latijn voor 'van Santo Domingo', de oude naam voor Hispaniola, waar de soort voorkomt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Port-au-Prince, Haïti.